VS hebben weinig geleerd van geschiedenis

Op Robert Kagans visie op de wereld kan het nodige worden afgedongen. Maar op één punt heeft hij gelijk. Kagan begint zijn artikel Power and Weakness in Policy Review als volgt: ,,Het is tijd te stoppen met voor te wenden dat Europeanen en Amerikanen een gemeenschappelijke kijk op de wereld hebben, of zelfs dat zij zich in dezelfde wereld bevinden''. Europa en Amerika beoordelen en benaderen de problemen in de wereld verschillend en de verschillen nemen toe. Dat valt niet meer te ontkennen. Maar tegelijk zit in Kagans openingszin al een riskante vereenvoudiging – waar Amerikanen en Europeanen als gesloten blokken tegenover elkaar worden geplaatst. Wat Kagan over Amerika en de Amerikanen beweert, slaat toch vooral op het Amerika van president Bush. Andersom staan ook in Europa de neuzen niet allemaal in dezelfde richting. Het Groot-Brittannië van premier Blair heeft andere prioriteiten dan de bewoners van het continent. Hiervan neemt de auteur overigens tevreden kennis.

Zoals de titel van Kagans beschouwing aangeeft, gaat het hem om macht en zwakte. Amerika is sterk, sterker dan wie of wat ook, en daarom heeft het geen behoefte aan uitbreiding van zijn civil society over de grenzen heen. Het wenst geen legalistische handenbinders. Europa is zwak en daarom projecteert het zichzelf op de wereld. Die wereld moet, als Europa zelf, door regels en afspraken worden beheerst – met op de achterhand de zekerheid dat als het echt mis gaat het sterke Amerika zal ingrijpen. In de tussentijd beschikken Europeanen over de ruimte om Amerika volop te kritiseren over zijn eenzijdig optreden. Kagan heeft hier begrip voor. Europa heeft de verdienste dat het zijn eigen bloedige tegenstellingen, waarin ook Amerika de nodige offers heeft gebracht, heeft overwonnen. Het heeft zich ingesnoerd in een korset van regelgeving en het hoopt dat de wijdere wereld dit resultaat als een voorbeeld tot navolging zal beschouwen. Kagan bespeurt in Europa dan ook geen voornemen om zich op te werpen als een militaire global player, onafhankelijk van of zelfs tegenover de Verenigde Staten. In Afghanistan `doet het de vaat' en het lijkt daarmee tevreden.

Mijn voornaamste bezwaar tegen de redenering is dat zij van een vanzelfsprekendheid uitgaat die niet met de historische werkelijkheid overeenstemt: Amerika is sterk, dus is het unilateralistisch, wenst zich niet aan internationale regels en instellingen te binden of te houden, en gaat zijn eigen militante Alleingang. Al eerder heeft Amerika militair een unipolaire positie ingenomen. Dat was na de capitulatie van Japan. Weliswaar was het Rode Leger tot aan de Elbe opgemarcheerd, maar de VS beschikten over het atoommonopolie.

Maakte die toestand Amerika unilateralistisch? Geenszins. President Roosevelt, die opdracht tot de ontwikkeling van de bom had gegeven, streefde tegelijkertijd naar de oprichting van de Verenigde Naties. President Truman, die opdracht gaf achtereenvolgens boven Hiroshima en Nagasaki de bom af te werpen, steunde de VN volop en deed enkele jaren later een beroep op de Volkerenorganisatie om de communistische overval op Zuid-Korea te keren. In 1949 werd Amerika onder zijn leiding en via de NAVO militair en politiek verbonden met het lot van Europa. Dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven, met instemming en medewerking van een reeks Amerikaanse regeringen en volksvertegenwoordigingen van uiteenlopende politieke snit en samenstelling. Was Amerika al die tijd opvallend zwak? Natuurlijk niet.

Een tweede bezwaar is dat Kagan geen oog heeft voor de gevaren van overmoed. The Arrogance of Power werd als historisch begrip gesmeed door William Fulbright, die, hoewel partijgenoot, zich ten tijde van `Vietnam' ontwikkelde tot de voornaamste tegenspeler van president Johnson in de Senaat. De machtige dient zich bewust te zijn van de gevaren die het gebruik van de macht ook voor hemzelf kan oproepen, was Fulbrights stelling. De middelen die het mogelijk maken macht ogenschijnlijk straffeloos overal in de wereld tot gelding te brengen, verlokken de machtige die middelen ook zonder veel bedenkingen in te zetten. Daarop wees een andere Amerikaan: senator Eugene McCarthy, die in 1968 met zijn presidentskandidatuur de anti-oorlogsbeweging als eerste een politieke stem gaf. McCarthy dacht toen vooral aan de Amerikaanse battle groups van vliegdekschepen. Het beschikbare arsenaal is sindsdien aanzienlijk uitgebreid, ondermeer met `slimme wapens', stealth bommenwerpers voor de zeer lange afstand en nog zoveel meer.

Natuurlijk, de ineenstorting van de Sovjet-Unie is gevierd als een westerse, meer in het bijzonder Amerikaanse overwinning. De geleerden zijn het overigens nog niet eens over de beslissende factoren van die val, maar vaststaat dat het vrije westen over de langere adem beschikte. Dat wil niet zeggen dat al zijn militaire operaties successen waren. Leidden de oorlogen in Indo-China ondanks de Amerikaanse overmacht tot een regelrechte nederlaag, van Korea, via Libanon (tot twee keer toe), Cambodja en Somalië, tot aan de Golf, op de Balkan en in Congo (verschillende malen) liepen interventies uit op risicovolle impasses die tot op heden voortduren. De stand van zaken in Afghanistan is evenmin hoopvol. Het mores leren dan wel het wegvagen van een bestaand regime levert geen garantie op voor een oplossing van de problemen die in eerste instantie de interventie hadden uitgelokt. Voor succesvolle, van buitenaf met geweld opgelegde `regimeveranderingen' tekenen vooralsnog uitsluitend Duitsland en Japan.

Washingtons voornemen om Saddam Hussein aan te pakken geeft bespiegelingen als van Kagan een angstwekkende urgentie. Hoewel president Bush van tijd tot tijd laat weten nog geen uitgewerkte oorlogsplannen op zijn bureau te hebben en premier Blair ,,denkt dat wij onszelf in de kwestie-Irak voorbijlopen'', is de vraag niet meer òf maar wanneer en hoe Irak zal worden aangevallen. De motivering zal zijn dat Irak over massavernietigingswapens beschikt waarvan de reikwijdte in de komende jaren alleen maar zal toenemen. De verbinding met het internationale terrorisme wordt gelegd met de veronderstelling dat Saddam, als hij deze wapens al niet zelf zal gebruiken, ze waarschijnlijk toch aan terroristen ter beschikking zal stellen. Voorkomen is beter dan genezen, is de volkswijsheid waarnaar de regering-Bush wil handelen.

Maar volkswijsheden zijn te simpel om de ingewikkelde internationale verhoudingen mee te lijf te gaan. Er is tussen Europa en Amerika dus meer dan een verschil in macht en een daaruit voortvloeiende andere kijk op de wereld. Europa heeft meer oog voor de lessen van de geschiedenis. Meer althans dan het Amerika van vandaag. Oorlog leidt tot een volgende oorlog. Zelfs de Tweede Wereldoorlog deed dat, al was het dan een Koude.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.