Vrouwenbesnijdenis 2

In zijn naschrift bij mijn door de redactie bekorte brief n.a.v. het artikel `Scheermesje in opkomst' beticht Rudy Kousbroek mij van kwade trouw door te suggereren dat ik zijn reactie op vrouwenbesnijdenis in Indonesië verklaar uit koloniale nostalgie. Ervan uitgaande dat hij mijn volledige brief onder ogen heeft gehad, is dat gemakzuchtig.

Mijn pijlen waren gericht op het feit dat Kousbroek doet wat hij zijn religieuze opponenten verwijt: geloven, en niet zijn verstand gebruiken. In plaats van zich gedegen te informeren over een onderwerp als vrouwenbesnijdenis baseert hij zich op één gesprek in het vliegtuig. Dit laatste, gecombineerd met onder andere zijn nostalgische ideeën over de sarong-kabaja uit zijn jeugdjaren, Indonesiërs als het zachtste volk der aarde en een Java dat met zijn sterke emancipatiebeweging in de koloniale tijd een gebruik als besnijdenis van meisjes nooit zou accepteren, vindt Kousbroek voldoende grond voor zijn uitlatingen over de onstuitbare opmars van clitoridectomie in Indonesië. Dat Rudy Kousbroek zijn publieke mening niet baseert op feiten maar op vage indrukken of stereotypen zal ik geen kwade trouw noemen; de kwalificatie grove nalatigheid verdient het zeker.

Tot slot meent Rudy Kousbroek uit mijn brief te kunnen concluderen dat er volgens mij `daarginds' niets verontrustends aan de hand is. Dit moet wederom op een van zijn indrukken berusten. Ik heb mij daar namelijk niet over uitgelaten, maar proberen aan te geven dat de door hem te berde gebrachte verontrustende kwestie niet op feiten berust.