Verjaring

Begin dit jaar werd Sara Jane Olsen in Amerika veroordeeld wegens betrokkenheid bij het opblazen van een auto in 1975. Haar werd ook deelname aan een bankoverval verweten waarbij een vrouw om het leven kwam. Dat deed ze als lid van de Symbionese Liberation Army, een anarchistische groep uit Californië die vooral bekendheid kreeg doordat zij de rijke erfdochter Patricia Hearst ontvoerde en zover kreeg dat zij met de SLA mee ging doen.

Olsen werd opgepakt in de staat Montana waar zij een nieuw en oppassend leven was begonnen. Echtgenoot, dochter en geestelijke, allen legden een getuigenis af over haar vredelievende natuur. Toch kreeg Olsen na 25 jaar een straf van 20 jaar voor de misstappen uit haar verleden. Eindelijk gerechtigheid. Toch valt niet aan de vraag te ontkomen wat dit voor zin heeft.

Deze vraag hield ook de ontwerpers van de voorloper van ons Wetboek van strafrecht in het eerste decennium van de negentiende eeuw bezig. Voor hen stond voorop ,,dat de misdaden zeker en spoedig gestraft worde''. Maar ,,voor de rust in de samenleving is niet minder belangrijk dat het onderzoek naar bedreven misdaden die als het ware in de vergetelheid zijn gedompeld niet worden begonnen''. Dat heeft geleid tot wettelijke verjaringstermijnen, zoals die van 18 jaar voor moord.

Over het aantal jaren valt te twisten, maar de Kamerleden Rietkerk (CDA) en Dittrich (D66) vinden een termijn principieel onjuist. Ze hebben een intiatief-wetsvoorstel opgesteld om de verjaring voor moord en enkele andere zware delicten af te schaffen. Een belangrijk argument is dat nieuwe opsporingstechnieken zoals DNA-onderzoek na lange tijd nog bewijs kunnen leveren. De mogelijkheden van deze techniek in `cold cases' zijn inderdaad veelbelovend.

Voor een principieel overtuigende argumentatie is echter meer vereist dan een technologisch hoogstandje. Het ging de negentiende-eeuwse wetgever niet om bewijsproblemen maar om maatschappelijke effecten. Er moet nog altijd een verdachte zijn om een proces na zoveel jaren te voeren en om deze na veroordeling op te sluiten, hoe zwak, ziek en misselijk ook. Tot dusver neemt onze samenleving dat alleen voor lief bij oorlogsmisdaden. De logische consequentie van het technologiedenken van Rietkerk en Dittrich is trouwens dat ook de dood van de verdachte als beletsel voor vervolging wordt afgeschaft en postume processen mogelijk worden. Waarheid voor alles, nietwaar? De twee Kamerleden hebben nog heel wat uit te leggen.