Uw arm ligt bij de informatiebalie

Nummer 16 van Het trage vuur, het tijdschrift voor Chinese literatuur in vertaling, is verschenen als een aparte boekuitgave, gewijd aan de Taiwanese dichter Chen Li (1954). Nog nooit eerder verscheen in het Nederlands een geheel aan één Taiwanese dichter gewijde poëziebundel. Dat is merkwaardig, want de Chineestalige poëzie die op Taiwan wordt geschreven doet niet onder voor die uit het grote moederland.

In beide China's heeft de moderne poëzie zich van de jaren vijftig tot de jaren tachtig ontwikkeld tegen de achtergrond van een politieke dictatuur. In China werkte de censuur prescriptief en was alle literatuur aan strenge voorschriften gebonden. Op Taiwan, daarentegen, was de censuur prohibitief en mocht alles verschijnen wat niet direct het regime ondermijnde. Dientengevolge hebben modernistische literatuuropvattingen, die de autonomie van het schrijven benadrukken en zich niet direct in de politiek mengen, zich op Taiwan kunnen ontwikkelen.

Maar in de late jaren tachtig, juist toen de dictatuur het loodje legde, kwamen de modernistische schrijvers onder vuur te liggen van politiek-geëngageerde inheems-Taiwanese `nativisten', die hen aanspraken op hun gebrek aan verzet tegen het voormalige repressieve bewind. Naarmate de politieke en maatschappelijke tegenstellingen afnamen, in de jaren negentig, verdween ook deze literaire tweespalt en gingen de meeste dichters verder hun eigen weg. Chen Li, in 1999 nog deelnemer aan Poetry International in Rotterdam, deed dit met groot succes en geldt in eigen land als een belangrijk dichter.

In de chronologisch geordende keuze uit de zeven bundels die Chen Li sinds 1975 in Taiwan publiceerde, is de hierboven geschetste literair-historische ontwikkeling goed te herkennen. De gedichten uit de jaren zeventig en vroege jaren tachtig vermijden iedere verwijzing naar de Taiwanese realiteit. De twee gedichten uit 1989 (`Tarokokloof' en `Dictatuur') zijn ietwat gekunstelde pogingen om alsnog aan te sluiten bij de nativistische trend.

In de rest van de gedichten, uit de jaren negentig, staat Chen Li weer stevig met beide voeten in het modernisme. Zijn uiterst zorgvuldig geformuleerde, tastende dichtregels dragen een persoonlijke, intellectuele visie op de wereld uit. Die visie, waarin de kunst in al haar verschijningsvormen een centrale rol vervult, is altijd afstandelijk en koel observerend, maar biedt ook ruimte aan twijfel, humor en zelfspot, zoals in het onderstaande fragment uit `Ansichten voor Messiaen':

We rennen over een wereldbol

ik ben in het oude Azië

jij in het verre Europa

iemand draait de wereld rond

we glijden uit, vallen samen

in de oceaan van melancholie

Het onderzoekende karakter van Chen Li's poëzie komt ook tot uiting in het uitdiepen van enkele telkens terugkerende thema's. Eén daarvan is de seksualiteit, een thema dat hij op nuchtere wijze ontleedt en van romantiek ontdoet, in een bedeesde vorm van beeldspraak. Dit gebeurt al in het eerste gedicht van de bundel, een jeugdwerk, getiteld `Zee-impressies':

Een beschamend groot bed,

die femme fatale woelt de hele dag

met haar minnaar

een deken van waterblauw en golvend wit

van

hier

naar

daar

Meer ingetogen en tegelijkertijd treffender is het thema terug te vinden in één van de honderd moderne haiku's uit de bundel Mikrokosmos, waarvan een ruime selectie in deze vertaling is opgenomen:

38

Een nacht koud als ijzer,

percussiemuziek van lichamen

die vuur maken.

Fraai is ook het onderstaande beeld uit het gedicht `Nachtelijke vis'. Daar waar een minder beheerste dichter wellicht in vulgariteit zou afglijden, kiest Chen Li zijn woorden met zorg en zonder zich te bekommeren om taboes:

's Nachts word ik een vis,

een amfibie, zonder bezit

maar ineens rijk en vrij.

Leegte? Ja

leeg als het wijde hemelruim.

Ik zwem in nachten natter en zwarter dan jouw vagina,

als iemand die in alle zeeën thuis is.

Hier en elders verdient de vertaalster, Silvia Marijnissen, een groot compliment voor de trefzekerheid waarmee zij Chen Li's vaak moelijke beelden opnieuw in al hun rijkdom weet op te roepen. Dit geldt ook voor de meer surrealistische beeldspraak, waar Chen Li een duidelijke voorkeur voor toont, en die zijn poëzie vaak een beklemmende ondertoon verleent, zoals in de openingsregels van `Een hond die naar de maan blaft':

De tijd laat zijn hond ons bijten,

Hij bijt onze mouwen eraf, laat een paar

vodden van vergetelheid achter.

We kopen suiker aan de overkant, vinden een afgedankte arm

– zouden we hem in de dichtstbijzijnde

brievenbus gooien?

Misschien ontvangen onze ouders hem op reis

in hun verre hotel.

Misschien wordt hij opgehangen bij de ingang van een station

en wordt er elke vijf minuten omgeroepen:

`De reiziger die een arm kwijt is, wordt

verzocht hem bij de informatiebalie te

komen ophalen.'

Marijnissen maakt in haar vertaling, gelukkig, uiterst spaarzaam gebruik van verklarende noten, die bovendien op een niet storende plaats achterin de bundel zijn afgedrukt. Eveneens achterin bevindt zich een verslag van een interview met Chen Li, waarin de dichter met grote openhartigheid praat over de ontwikkeling van zijn werk, zijn verhouding tot andere Taiwanese dichters en zijn houding ten aanzien van maatschappelijke en politieke kwesties.

Al met al is deze bundel een waardevolle uitgave, waarin een van de belangrijkste stemmen uit de hedendaagse Chineestalige poëzie op indrukwekkende wijze tot ons spreekt – in prachtig geschreven Nederlandstalige gedichten.

Chen Li: De rand van het eiland. Gedichten. Vertaald uit het Chinees door Silvia Marijnissen, gevolgd door een gesprek met de dichter.

Het trage vuur 16, 79 blz. €12,–