Uiterst militante verliezer

Hij heeft zijn grootste vijanden overleefd. Premier Margaret Thatcher is met pensioen en Ian MacGregor, de Britse opperkolenboer, is dood. Maar als Arthur Scargill (64) een held is, is hij een tragische. Terwijl de legendarische marxist gisteren aftrad als voorzitter van de National Union of Mineworkers (NUM), is de industrie waarvoor hij veertig jaar vocht zojuist voor de tweede keer gestorven.

De bloedige stakingen van 1984 en 1985, waarmee Scargill de Conservatieve regering ten val hoopte te brengen, liepen uit op een spectaculaire nederlaag. Meer dan 150 staatsmijnen werden gesloten en ruim honderdduizend mijnwerkers kregen ontslag. De troostprijs, een kleine twintig geprivatiseerde mijnen die de toekomst van de Britse kolensector moesten garanderen, werd eerder deze maand afgepakt. Toen werd bekend dat het modernste mijncomplex, in Yorkshire, wordt gesloten.

Er is dit keer geen dorp of stad waar tachtig procent van de mannen op slag werkloos wordt. Want de tweeduizend werknemers van het Selby-complex wonen verspreid over de regio. Er is ook geen staking aangekondigd. Ze zouden tóch verliezen, weten ze al twintig jaar. De Labour-premier, die weet dat de tijdgeest meer met chips en dienstverlening heeft dan met staal en kolen, wast hoe dan ook zijn handen in onschuld. ,,Life goes on'', zei een lokale vakbondsman.

Scargill ging als vijftienjarige zelf de mijn in, net als zijn vader en grootvader, in Barnsley bij Newcastle-upon-Tyne. Praktisch had hij geen keuze, politiek wel. Op zijn twintigste was hij een actieve communist en hoewel hij later voor Labour koos, bleef hij daar steeds aan de uiterste linkerflank. Dat leverde hem veel vijanden op, zowel in de bond als in de partij als bij de werkgevers. Maar een deel van de kompels, zag in hem de held die hen zou beschermen tegen goedkope kolen uit de Derde Wereld en Noordzeegas.

Scargill hielp de Conservatieve regering van Ted Heath ten val brengen en ondermijnde het bewind van diens Labour-opvolgers Callaghan en Wilson. Maar in Margaret Thatcher, politiek onkwetsbaar na de Falklandoorlog van 1982 en niet van plan Heath's lot te delen, vond hij zijn nemesis.

In háár ogen waren de mijnwerkers de grootste sta-in-de-weg van een historische project: het vrijmaken van de arbeidsmarkt en het afslanken van de staat als werkgever. Dus zette ze de oproerpolitie in en schilderde stakers af als Sovjet-marionetten. Hém is later vooral gebrek aan tactiek verweten. Scargill, NUM-president sinds 1981, weigerde zijn bond te laten stemmen, waardoor hij een wig dreef tussen degenen die wilden onderhandelen (en doorwerken) en militante stakers. Bovendien weigerde hij het geweld door de pickets te veroordelen en wees hij een looncompromis af.

Die gok werd hem fataal. In 1985 gooiden de mijnwerkers moegestaakt en -gevochten de handdoek in de ring. Scargill bleef bizar genoeg in functie, maar de bond slonk van 200.000 naar de huidige 5.000 leden. In 1996 verliet hij Labour om een eigen partij op te richten uit protest tegen de `uitverkoop' van het linkse erfgoed onder partijleider Tony Blair. Het bleef roepen in de woestijn. Toen Scargill – die categorisch weigert media te woord te staan – zich vorig jaar kandidaat stelde in Hartlepool, de kieskring van Blairs rechterhand Peter Mandelson, haalde hij niet meer dan 912 stemmen.

Zijn rudimentaire bond heeft hem tot ere-president uitgeroepen. De jaarlijkse mijnwerkersoptochten in Wales, Yorkshire en het Noord-Oosten, met drumbands en vaandels, zijn niet langer een hoogtepunt in het politieke jaar, maar folklore. En `King Arthur' alias `Old King Coal' schrijft zijn memoires. Bovengronds en toch in het donker.