Telkens tot zijn spijt verhinderd

Samuel Becketts `Wachten op Godot' werd eerder in Arnhem opgevoerd dan in Londen of New York. Aanstaande zondag wordt het stuk op de televisie uitgezonden. Puristisch of vernieuwend, dat is de kwestie.

Vrolijk zingt de zaal mee: ,,Een hond stal eens een biefstuk/ Al uit een slagerij/ De slager werd heel woedend/ en sloeg de hond tot brij''. In de Kleine Komedie in Amsterdam dirigeert cabaretier Peter Heerschop het publiek in het zingen van het onnozele liedje. Heerschop speelt naast Viggo Waas de hoofdrol in de doldwaze cabaretversie van Samuel Becketts Wachten op Godot. Volgens de recensent van deze krant ging de cabaretier overigens aanvankelijk nog verder en liet hij de sleutelzin: ,,We wachten op Godot'' ook door de zaal roepen, als kinderen die roepen om Jan Klaassen. Een geniale vondst; niet alleen de twee zwervers Estragon en Vladimir in het toneelstuk, het hele publiek zit met smart te wachten op de mysterieuze Godot die nooit komt opdagen.

Meebrullen met Wachten op Godot? Hier gebeurde iets ongehoords. Met de zaal spelen mag in het platte cabaret gebruikelijk zijn, Wachten op Godot is serieus, hoogstaand theater. Iedere opvoering dient een ceremoniële opvoering te zijn van Becketts heilige tekst. Geen toneelschrijver wordt in Nederland met zoveel eerbied benaderd als Beckett. Uit de Britse tv-versie – die zondag in de reeks Beckett on Film wordt uitgezonden – blijkt dat Godot in Engeland nóg heiliger is. Regisseur Michael Lindsay-Hogg (die ooit de Beatlesfilm Let it be regisseerde) blijft op eerbiedige afstand en geeft geen enkele nieuwe draai aan het stuk. Afgezien van het feit dat hij een paar bladzijdes overslaat, en dat de kale Lucky in deze versie lang blond haar heeft, als de bluesgitarist Johnny Winter.

Waarom wordt Wachten op Godot vaak zo zwaar en serieus behandeld? Dat heeft de Ierse schrijver in de eerste plaats aan zichzelf te danken. Beckett (1906-1989) stond erop dat zijn stukken tot op de letter precies gespeeld werden. Dat staat haaks op de Nederlandse theaterpraktijk, waarin regisseurs sinds de jaren zestig een steeds grotere rol opeisen en steeds vrijmoediger met toneelteksten omspringen. De opvoeringsgeschiedenis van Wachten op Godot in Nederland is dan ook een constant gevecht tussen de letter van de tekst, en de pogingen daar wat meer lucht tussen te krijgen.

De Ierse modernist schreef En Attendant Godot in het Frans in 1949. In 1952 werd de tekst voor het eerst gepubliceerd, op 5 januari 1953 voor het eerst opgevoerd in Parijs, in het Théâtre Babylon, een omgebouwde winkel. Meteen ontstond grote discussie over het stuk, tussen woedende tegenstanders en geestdriftige voorstanders.

De nieuwe Arnhemse Toneelgroep Theater wilde het stuk graag naar Nederland brengen. Met de Fransman Roger Blin werd een belangrijke regisseur binnengehaald. Blin regisseerde namelijk ook de oerversie in Parijs. Beckett zou Blin zelf hebben uitgezocht na het zien van diens regie van Strindbergs Ghost Sonata. Vooral het feit dat er slechts tien betalende bezoekers op die voorstelling afkwamen, beviel Beckett zeer.

Zedenverwilderend

De Arnhemse burgemeester en andere autoriteiten waren ietwat huiverig voor de mogelijke zedenverwilderende gevolgen van het nihilistische stuk. En ging het niet over `homofielen'? Dat laatste bezwaar is wat gezocht. Natuurlijk, het gaat over twee mannen die samenleven, er zit een SM-relatie en een aanzet tot wurgseks in, maar homoseks speelt verder geen enkele rol.

Het eerste bezwaar, de nihilistische inhoud – al dan niet ondermijnend voor de zeden – deelden echter veel critici, tot op de dag van vandaag. Wachten op Godot speelt zich af in een woestenij, een harde wereld waar ruwe zeden heersen, en waar geen plaats is voor geloof, hoop en liefde. Met deze visie stond Beckett niet alleen. Onder aanvoering van Sartre was de hele naoorlogse kunstwereld in zo'n sombere bui geraakt. Criticus H.A. Gomperts schreef over Godot: ,,de expressie van een speciaal tot onze tijd behorend pessimisme, hulpeloos en redeloos, maar niet zonder een eigen grootheid.''

Enige zorg van de autoriteiten was dus op zijn plaats. Besloten werd om eerst een besloten voorstelling te houden, voor gevestigde autoriteiten uit de cultuur, de kerk en de politiek. ,,In verband met de zeer ongemene aard van Becketts werk'' werd de vooraanstaande roomse denker Anton van Duinkerken (pseudoniem van prof. dr. W.J.M.A. Asselbergs) ingeschakeld om een geruststellende inleiding te houden. Hij legde uit dat ,,dit ogenschijnlijk louter troosteloze spel'' minder zwart is dan je denkt. In feite is het een heel christelijk stuk met een sprankje hoop, als je Godot ziet als God, de verlosser.

Mede dankzij de inzet van de spelers, Bernhard Droog (Estragon), Johan Walhain (Wladimir), Gerard Hartkamp (Pozzo) en Richard Flink (Lucky), werd de eerste opvoering een groot succes. Ook omdat ze de opvoering `een dappere daad' vonden, gaven de toeschouwers een zeer lang applaus. Ondanks het gebrek aan handeling en psychologische ontwikkeling – behorende tot de toneelwetten van die tijd – werd de artistieke waarde van Godot onmiddellijk herkend. De lovende kritieken namen gretig de christelijke interpretatie van Van Duinkerken over. ,,Estragon en Wladimir zijn gekomen tot de laatste der dagen'' schreef de recensent van het Algemeen Handelsblad.

Nu kunnen we natuurlijk lacherig doen over de bezorgde, vaderlijke houding van de toenmalige autoriteiten. Maar het stuk werd in Arnhem toch maar mooi opgevoerd, eerder dan Londen of New York. Van Duinkerkens roomse annexatie van het stuk doet wat geforceerd aan. Maar Beckett zelf verwijst op verschillende plaatsen in het stuk naar de bijbelse verlossings- en eindtijd-boodschap. Het enige wat we over Godots uiterlijk te weten komen is bijvoorbeeld dat hij een witte baard heeft. En schreef Gerard Reve al niet over de christelijk heilsverwachting: ,,Maar wat is toch de aardigheid/ van levenslang op Iemand wachten/ Die telkens tot Zijn spijt verhinderd is?''

Criticus Gomperts zag zowel de Franse als de Nederlandse première. Aanvankelijk – zo schreef hij in Het Parool – had hij wel enige moeite met Becketts ,,demonstratie van de verwerpelijkheid van het bestaan''. De Parijse versie vond hij te veel `een sadistische demonstratie'. De Nederlandse was `milder en gestileerder'. Vooral de hoofdrollen van Walhain en Droog hadden hem ,,grotendeels met Godot verzoend. Het stuk heeft naast zijn zenuwtrekkende effecten een sterke, soms grandioze poëzie''. Toen Gomperts in 1970 zijn toneelkritieken bundelde, voegde hij een verontschuldigend nawoord toe waarin hij schreef in 1955 toch de grootheid van Beckett te hebben onderschat.

Doodsbericht

Na de eerste uitvoering duurde het vreemd genoeg dertien jaar voordat Godot hier weer werd opgevoerd. Midden in de roerige tijd na de theaterrevolutie van Aktie Tomaat waagde de Nederlandse Comedie zich aan een versie; het gezelschap dat voor de actievoerende theatervernieuwers nu juist stond voor het ouderwetse toneel dat moest worden afgeschaft. Criticus Leo Jacobs noemde de uitvoering in Het Vrije Volk: ,,doodsbericht van een stervend ensemble''.

De opvoering in 1971 door het gevestigde gezelschap betekende dat Wachten op Godot inmiddels van een avant-gardestuk uit de tijd van het absurdistisch theater, een klassieker in het toneelrepertoire was geworden. Dat had ook zijn nadelen. Het stuk bleek niet meer zonder interpretatie te kunnen. In 1955 was de tekst nog nieuw en schokkend genoeg om sec te ensceneren. Nu moest een regisseur er iets mee doen. Recensent B. Hulsing schreef in Trouw: ,,Ik zou niet weten hoe het anders gedaan zou moeten worden en hoop toch eens een heel andere Godot te zien.''

Daarmee geeft hij precies een probleem aan dat door toneelpuristen en buitenstaanders niet goed wordt begrepen: het naar de letter uitvoeren van een klassieke toneeltekst heeft geen zin. Wil je de tekst levend houden, dan moet je hem als regisseur naar je hand zetten. Hoe vergaand dat kan zijn, daarover valt vervolgens te twisten.

Het Onafhankelijk Toneel – geboren uit de Aktie Tomaat – ging in 1977 héél ver met Godot. Regisseur Jan Joris Lamers was (en is) tegen toneel als inlevingskunst. Bij hem moest je zien dat er acteurs op het toneel staan die door losjes spel duidelijk maken dat het schijn is. Dus stonden in zijn Godot de spelers in hun gewone kleren op het toneel, dat ook niets anders verbeeldde dan een toneel. In de pauze verkochten de spelers zelf de drankjes. Lamers had twee rollen toegevoegd: een schilder (Jan Klatter) die het achterdoek schilderde, en een fotograaf (Bert Nienhuis) die alles fotografeerde. Lamers' Godot ging over toneelspelen.

Lamers speelde zelf de rol van Lucky, de slaaf die samen met zijn meester Pozzo langs loopt op de landweg waaraan de twee zwervers op Godot staan te wachten. De zwijgzame Lucky moet op een gegeven moment als een soort kunstje gaan `denken'. Dit doet hij door een paar bladzijdes pseudo-wetenschappelijke wartaal uit te slaan. Lamers had deze hele passage vervangen door een eigen tekst waarin allerlei toneeltheorieën belachelijk werden gemaakt, van `Stani Slasso' tot `het vervelingseffect van Briest'. Omdat het stuk in twee weken was ingestudeerd, wist Lamers de tekst niet zo goed uit zijn hoofd. Geen nood, Lamers' beroemde gimmick is dat hij altijd met een tekstboek op het toneel staat. Dit keer had hij deze vervangen door een nieuw snufje: een `walk-man'.

Uit Lamers' versie bleek niet alleen wat de toekomst van het Nederlands theater zou worden, ook bleek dat regisseurs in de loop der jaren iets nieuws in Godot hadden ontdekt: het is een heel geestig stuk. De eerste uitvoering in 1955 was nog bloedserieus, daarna werd de speelstijl steeds lichter en komischer. Zo had Beckett het ook gewild. Hij had bij het schrijven een vaudeville-act voor twee goede clowns in zijn hoofd. Beckett was gek op slapstick. De scène waarin Estragon en Wladimir goochelen met drie bolhoeden, komt rechtstreeks uit de films van Laurel and Hardy. Wat dat betreft is de cabaretuitvoering van regisseur Koos Terpstra niet eens zo'n vreemd idee. Helemaal zonder gevaar is de luchtige aanpak niet; te veel aan lolligheid, zo klaagden critici door de jaren heen, verpest de poëzie van het stuk.

Prins

In de ontwikkeling naar een grotere vrijmoedigheid met Godot mag ook Dramamorgana (1980) van Kindertheater Pssstt niet onvermeld blijven. Regisseur Herman Frank wilde Wachten op Godot graag opvoeren voor kinderen, maar hij was bang dat het vergeefse wachten te saai voor ze zou zijn. Daarom liet hij Wladimir en Estragon om de tijd te doden scènes uit Sneeuwwitje spelen. Godot kwam wederom niet opdagen, maar de prins gelukkig wel.

In 1988 had Beckett schoon genoeg van al deze fratsen. Regisseuse Matin van Veldhuizen wilde in de Haarlemse Toneelschuur het mannenstuk laten spelen door vijf vrouwen. Beckett reageerde woedend en spande een kort geding aan bij de Haarlemse rechtbank om een opvoeringsverbod af te dwingen.

Het was merkwaardig dat Beckett juist over déze regie viel. Travestierollen zijn zo oud als het theater. Zelfs in de eerste opvoering van Wachten op Godot in Nederland speelde een vrouw (Karen-Else Sluizer) een mannenrol; die van het jongetje dat op het einde van de twee bedrijven komt melden dat Godot die dag niet meer zal verschijnen.

In eerder versies waren regisseurs veel vrijmoediger omgegaan met de tekst. Van Veldhuizen hield zich er keurig aan. Hoewel het aanvankelijke plan was om de setting naar een luxe terras te verplaatsen, met rijke dames in avondjurken, speelden de actrices uiteindelijk gewoon mannelijke zwervers met bolhoeden op, in het gebruikelijke decor: kaal met een boompje.

De rechter stelde Beckett in het ongelijk; de mannenrollen door vrouwen laten spelen veranderde niets wezenlijks aan het stuk. De zaak kreeg veel publiciteit, mensen die nooit één gedachte aan toneel hadden gewijd, hadden opeens een mening over de zaak-Beckett. Doorgaans viel deze uit ten nadele van de Haarlemmers met hun `moderne fratsen'. Ernstiger was het effect op de Beckett-traditie. Aanvankelijk legde Beckett de voorstellingen in Nederland aan banden, om dit even later om te zetten in een totaal speelverbod van zijn werk. Vlak voor zijn dood, acht maanden later, bedacht hij zich weer.

Maar het kwaad was reeds geschied. Toen in 1992 een Beckettfestival in Den Haag werd gehouden, ging de discussie alleen maar over wél of niet volgens de letter, en niet meer over interpretatie. De preciezen vonden de uitvoering van het Nationale Toneel (regie: Frans Marijnen) op het festival prachtig, de rekkelijken klaagden over het gebrek aan interpretatie en inspiratie.

Eén van de rekkelijken, Paul Binnerts, schreef in vakblad Toneel Theatraal geërgerd over deze ,,welgedane tevredenheid van de Beckett-burgers'' die de Beckett-traditie zouden vermoorden. Binnerts merkte verder op dat veel van de heilige Godot-voorschriften helemaal niet in de tekst staan.

En inderdaad, nergens staat in de tekst dat de spelers bolhoeden moeten dragen, of dat het decor leeg moet zijn. Beckett schrijft over `hoeden'. Dat kunnen ook best sombrero's of feesthoedjes zijn. Beckett schrijft over `een landweg'. Dat zou ook best een weelderig beschilderd achterdoek kunnen zijn van een zeventiende-eeuwse landweg met aan weerszijden een wei vol roodbont en een sloot met kuifeenden.

Helemaal aan banden lieten de regisseurs zich niet leggen. Twee jaar geleden kwam het Vlaams gezelschap Malpertuis met een uitvoering waarin de voorgeschreven kale boom was vervangen door een futuristische container met hydraulische schuifdeuren. Lucky was dit keer een sexy dame. Zijn wartaal was vervangen door een essay van de Duitse denker Peter Sloterdijk. Een zeer vervelende verandering was dat de Belgen `Godot' uitspraken als `God dood'. Alsof je Oidipous hinkend laat opkomen, terwijl hij roept: ,,ik heb zo'n last van mijn Oidipous-complex!'' De erven Beckett konden er niet mee lachen en verboden na een aantal voorstellingen de opvoering.

In de laatste uitvoering, van Dood Paard dit jaar, was de voorgeschreven boom vervangen door een tv-antenne. Het collectief – directe erfgenamen van Jan Joris Lamers – hield zich grotendeels aan de tekst (nog altijd de vertaling uit 1955 van Jacoba van Velde) maar had wel iets aan de handeling toegevoegd: de spelers stapelden tot twee keer toe tientallen klapstoelen op, tot de stapel zo hoog en wankel was dat hij omviel.Met deze zinloze arbeid handelden ze niet naar de letter, maar zeker naar de geest van Beckett.

Wachten op Godot, Zondagavond Ned. 3, 22.10-00.03 uur.