Opties kosten geld

Het besluit van General Electric om in navolging van onder meer Coca-Cola opties als een kostenpost te behandelen heeft de norm gesteld waaraan Amerikaanse ondernemingen zich voortaan zullen moeten spiegelen. Mettertijd zal de rest van de 500 ondernemingen uit de S&P; beursgraadmeter volgen, hoewel nog niet definitief is vastgesteld welke boekhoudkundige methode het voordeligst uitpakt voor de aandeelhouders.

Uiteindelijk zullen Europese ondernemingen zich gedwongen voelen hetzelfde te doen. Toch is het lastig om de gevolgen van zo'n ommezwaai voor de resultaten van Europese bedrijven aan te geven. Standard & Poor's schat dat de doorberekening van opties als kosten de gezamenlijke nettowinst van de S&P; 500 ondernemingen dit jaar met 17 procent omlaag zou brengen, tegen 24 procent in 2001.

Voor Europa zijn de cijfers moeilijker te bepalen. Vooral op het Europese vasteland bestaan grote verschillen in openheid over optieregelingen en over salarissen en bonussen in het algemeen. Sommige bedrijven geven alleen informatie over de vergoedingen van hun topmanagers, terwijl in een aantal landen, met name in het Verenigd Koninkrijk, de hoogte van de optieregelingen afhangt van het bereiken van bepaalde prestatiecriteria. Algemeen wordt aangenomen dat Europese bedrijven minder optieregelingen voor hun managers en lagere kader kennen dan Amerikaanse bedrijven. Gezien het grotere aantal technologiefondsen in de S&P; 500 is deze opvatting waarschijnlijk correct.

Laten we ervan uitgaan dat de optieregelingen van het Brits-Nederlandse Unilever typerend zijn voor Europese ondernemingen. Doorberekening van de optieregelingen van vorig jaar – die aan ongeveer 2 procent van het personeel ten goede kwamen, tegen 12 procent bij General Electric – had de winst per aandeel over 2002 met 3 procent verminderd. Dat lijkt weinig in vergelijking met de kosten van optieregelingen in de VS. Maar net als veel andere Europese concerns doet Unilever nog niet zo lang aan optieregelingen.

Sinds het bedrijf er een paar jaar geleden mee is begonnen, heeft het ze aan slechts zo'n 6.000 managers toegekend, op een personeelsbestand van zo'n 270.000 werknemers.

De kans bestaat dat optieregelingen bij Europese ondernemingen juist nog in omvang zullen toenemen, tegenover een daling in de VS, naarmate ze in Europa worden uitgebreid naar de lagere kaders. Hoewel de kosten niet snel tot 17 procent van de bedrijfswinst zullen oplopen, is het waarschijnlijk dat ze in de toekomst een groter deel van de winst van Europese ondernemingen zullen afsnoepen dan vandaag de dag.

Onder redactie van Hugo Dixon.

Voor meer commentaar: zie www.breakingviews.com.

Vertaling Menno Grootveld.