Nederland in de top van wapenexporteurs

Nederland heeft ten onrechte het imago dat het een bescheiden rol speelt als wapenexporteur. Den Haag loopt op eieren om het broze evenwicht tussen actiegroepen tegen wapenhandel en industrie niet te verstoren.

Nederland heet hoegenaamd geen defensie-industrie te hebben. Maar een rondleiding bij Thales Nederland, het vroegere Hollandse Signaal Apparaten, bewijst het tegendeel. In de fabriekshallen van de Hengelose onderneming, onderdeel van de Franse defensiereus Thales, staat een assortiment defensiematerieel opgesteld waarmee op het eerste gezicht een middelgroot NAVO-land compleet kan worden uitgerust. SMART-L radarsystemen, Mirador `elektro-optische' richtmiddelen en combat systems voor patrouillevaartuigen staan in uiteenlopende staat van montage in de hallen opgesteld. De afnemers zijn de Nederlandse strijdkrachten, die van andere NAVO-landen, maar ook bijvoorbeeld het leger van Venezuela en de marine van Zuid-Korea.

De uitstalling lijkt in lijn met de hoge notering van Nederland in de mondiale top van wapens exporterende landen die de Zweedse denktank Stockholm International Peace Research Institute, SIPRI, jaarlijks opstelt. In 2001 nam Nederland een zevende plaats in de afgelopen jaren meestal een vijfde of zesde plek. En dat is opmerkelijk, aangezien Nederland daarmee landen met grote nationale defensie-industrieën, zoals Italië, Israël en China, achter zich laat.

,,Die hoge positie in de toptien geeft een vertekend beeld', stelt George Bontenbal, verbonden aan de afdeling exportcontrole van het ministerie van Economische Zaken. Het SIPRI, zegt Bontenbal, telt uitsluitend grote wapensystemen, zoals marineschepen, gevechtsvliegtuigen, tanks en kanonnen met een kaliber van minstens 100 millimeter en radarapparatuur. ,,In die laatste categorie zijn we met Thales natuurlijk wel een grote speler. We hebben de SIPRI-ranking weleens vergeleken met die van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, dat naar de export van een veel groter scala militaire goederen kijkt. Nederland staat dan op een tiende plaats en Zweden, twaalfde bij SIPRI, op een vijfde plaats.'

Vertekend of niet, Den Haag is al jaren beducht voor een negatief imago als groot wapenexporteur. Het exportbeleid laveert daarom tussen de belangen van de defensie-industrie en de wensen van actiegroepen zoals het Platform tegen Wapenhandel, die het liefst zouden zien dat Nederland helemaal niets met de militaire wereld van doen had.

Het resultaat is vlees noch vis of, het is maar hoe je het beziet, een gulden middenweg. ,,Nederland is niet zo'n handig land om je te vestigen als je je op de defensiemarkt begeeft', meent een directielid van een ingenieursbureau dat militaire systemen ontwerpt. ,,Als de regering onze belangen niet steunt, wie dan wel?' mort een andere vertegenwoordiger van de nationale defensiebranche.

Aan de andere kant gaat geen bijeenkomst van de defensie-industrie voorbij zonder ,,moord!' roepende spandoeken bij de ingang.

De Nederlandse defensie-industrie moet zich aan een aantal stringente richtlijnen voor de export houden: niet leveren aan landen die door de Verenigde Naties op de vingers zijn getikt, die in oorlog zijn of dat misschien raken, of landen die mensenrechten schenden. Voor Nederland en andere landen die foute wapenhandel willen tegengaan bestaan intentieverklaringen.

Zo heeft de Europese Unie een gedragscode voor de wapenexport en is er het zogeheten Wassenaar Arrangement dat ondertekenaars verplicht om terughoudend te zijn met leveranties aan landen en regio's waar meer wapens aanwezig zijn dan alleen voor defensieve doeleinden noodzakelijk is.

Het lijdt geen twijfel dat sommige landen deze leefregels, zachtjes gezegd, flexibel interpreteren. Groot-Brittannië verleende nog afgelopen maand 148 vergunningen voor leveranties van wapentuig aan kernstaat India, dat een bloedvete heeft met buurland en kernmogendheid Pakistan. Frankrijk levert er eveneens lustig op los.

Dat is het gevolg van de niet-bindende status van al die gedragscodes: er staat geen enkele sanctie op het niet naleven van beloftes. Bontenbal vindt niet dat Nederland zich daarom ook maar flexibeler zou moeten opstellen. ,,Als Nederland zich roomser dan de paus wil opstellen dan is dat een politieke keuze waar we recht op hebben.'

Maar ook het restrictieve Nederlandse exportbeleid verhindert niet dat Nederlands wapentuig opduikt op onbedoelde plaatsen. Door Nederland aan Turkije geschonken tweedehands gevechtsvliegtuigen werden in de jaren tachtig mogelijk ingezet tegen Koerden. Op Kamervragen over het Turkse gebruik van deze `Nederlandse' jachtbommenwerpers moest de regering het antwoord schuldig blijven. Ook Duitsland, België en Noorwegen hadden vliegtuigen geschonken en de toestellen zouden onmogelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

In de loop van de jaren negentig ontstond onenigheid over de wapenleveranties aan India en Pakistan. Het ging met name om radarapparatuur.

Na de kernproeven die zowel India als Pakistan in mei 1998 uitvoerde, werd een vergunningenstop afgekondigd. Nederland stond daarmee in Europa alleen, dus werd besloten leveranties van nieuw materieel te verbieden, maar de levering van reserveonderdelen wel toe te staan. Dat gaf de nodige speelruimte.

Na 11 september, toen Pakistan de strijd tegen het terrorisme ging steunen, werd de vergunningenstop weer ingetrokken. Aangezien de spanningen intussen weer zijn opgelopen, zijn de leveranties van nieuw materieel nog niet hervat. Een nieuw probleem dient zich aan met de voorgenomen Nederlandse deelname aan het Amerikaanse gevechtsvliegtuig JSF. Nederlandse bedrijven zouden binnen het internationale project single source supplier kunnen worden. Hierdoor zouden ze alleenrecht krijgen op de productie van bepaalde onderdelen. In de Amerikaanse analyse van de exportmarkt is ook ruimte voor afnemers zoals Israël, waarvoor Nederland onder de huidige omstandigheden geen exportvergunning verleent. Hoe dit te verenigen is met het Nederlandse exportbeleid is onduidelijk.

Dit is het laatste deel van een drieluik over internationale wapenhandel. Eerdere delen verschenen op 30 en 31 juli en zijn te lezen op www.nrc.nl.