Meppen

In het warenhuis loopt een moeder rond met een jongetje van een jaar of zes. Zij – lange jurk, lange mouwen, hoofddoekje – snuffelt tussen de kledingrekken. Hij verveelt zich. Hij wil weg en geeft dat te kennen, in woord en gebaar.

De woorden bestaan uit korte bevelen, de gebaren uit slaan – keihard en gericht. Op de bovenbenen en de achterkant van zijn moeder. Ondertussen kijkt hij zo kwaad als alleen mensen met bruine ogen dat kunnen. En bruine ogen heeft hij! Prachtige donkerbruine ogen, waarmee hij mij in het voorbijgaan stralend aankijkt. Zo doe je dat, lijkt hij te willen zeggen. Want hij krijgt inderdaad zijn zin.

Hoewel de moeder zich aanvankelijk lijdzaam liet beschreeuwen en betimmeren, heeft ze nu koers gezet naar de uitgang. Zonder protest en zonder iets gekocht te hebben, met het triomfantelijke kind achter zich aan. Ik vraag me af op welke leeftijd het eigenlijk begint, dat meppen van vrouwen.