Mei

Met zijn stuk over Gorters Mei (Boeken, 28.06.02) heeft Guus Middag de lezers een slechte dienst bewezen. Hij deelt mee dat een vroegere lezing van het gedicht `niet meer dan een raar zootje scherven in zijn geheugen' heeft achtergelaten, maar heeft weinig moeite gedaan om met behulp van deze nieuwe editie iets aan die situatie te verbeteren. Terwijl de bezorgers Enno Endt en Mary Kemperink in hun nawoord korte informatieve hoofdstukken hebben opgenomen over onder meer het ontstaan van Mei, de interpretatie van Mei en Gorters taalgebruik. Bovendien geven ze en dat is voor het eerst! annotaties op woordniveau. Niets daarover bij Guus Middag. En dat het boek er prachtig uitziet had hij ook wel mogen vermelden.

Middag veegt de Mei van tafel zoals je alle klassieken in de prullenmand kunt schuiven: het gedicht is te lang, het verhaal is te onduidelijk en er komen `geen echte mensen' in voor. Wat een onzin! Mei lees je voor je plezier, met een groot geluksgevoel: `Goh, lekker weer, wat eten we vanavond' (Dick van Halsema in de Vrij Nederland-bijlage uit 1989 die Middag in handen had). Wat me bovenal ergert: deze flauwe boutade tegen een klassiek gedicht uit het Nederlandse taalgebied is geschreven vanuit een invalshoek die de recensenten van de nieuwe vertalingen van buitenlandse klassieken als Don Quichot, Finnegans Wake en hele lange en moeilijke gedichten als Orlando Furioso en Goethes Faust terecht niet hebben gekozen.