Kleine prachtfilms

Ik had genoeg van zweet en mooi weer, ik haatte de zon. Ik ging het donker van de bioscoopzaal in en zag Laissez-passer van de Franse cineast Bertrand Tavernier. In een stortvloed van meer dan honderd personages toont de film een Parijse filmstudio tijdens de Tweede Wereldoorlog. Laissez-passer buitelt drie uur lang van de ene in de andere scène en stroomt over van door velen vergeten beroemde namen. Het is 1942, maar omdat Laissez-passer afziet van de gebruikelijke collaboratie-en-verzetsretoriek is zo duidelijk niet wie goed is en wie fout. De schurk staat voor zijn mensen, ook de joodse. De vileine collaborateur doet wellicht meer goed dan de sympathieke communist en zijn fanate partijgenoten. De held pleegt zijn verzetsdaden alleen maar omdat hij op zoek is naar zijn zwager. Wordt hij een beter mens, sadder and wiser op zijn minst? Welnee. Hij blijft zo naïef als hij steeds al was. En sowieso werken vriend en vijand samen, allen in de ban van het maken van een film die een mooie film moet worden.

Een dramaturgische chaos, dus, Laissez-passer. O ja? We zaten met zijn zessen in die bioscoopzaal en alle zes genoten we, dat was te merken omdat niemand tijdens de aftiteling al opstond.

Mijn opgetogenheid over Laissez-passer wordt overschaduwd door melancholie. In Frankrijk wordt zo'n film dus nog altijd gemaakt, ook al is van aanvang af duidelijk dat hij slechts bezocht zal worden, door een klein publiek. De mensen die komen zullen wellicht intens genieten en ze zullen ook minstens vijfendertig zijn.

In Nederland kan dat beperkte publiek zoiets vergeten. Het idee achter kunstsubsidies was hier ooit het mogelijk maken van waardevolle kunst, maar zelfs films als Grimm en Phileine zegt sorry komen niet meer van de grond. Dat hun regisseurs (Alex van Warmerdam en Robert Jan Westdijk) erkende, nieuwsgierig makende kunstenaars zijn, verandert daar niets aan. Het Nederlandse Filmfonds wordt gerund met een commerciële filmindustrie als doel en ondersteunt bij voorkeur films die mikken op het allergrootste publiek. Het tot stand komen van een filmkunstwerk wordt verder overgelaten aan een gunstige belastingmaatregel. O, héél gunstig is die regeling, wat wonderlijk toch dat de investeerders voornamelijk belangstelling hebben voor projecten met tv-sterretjes en verhaaltjes van drie centimenter diep.

In Nederland wil men vergeten dat Nederlandse speelfilmmakers van oudsher juist goed zijn in het maken van kleine kunstzinnige films. Ging u kijken naar Een dagje naar het strand, Parfait amour, De Dream, Zusje? Nee? Dan heeft u ongelijk, want dat waren prachtige films. Maar ze bestaan en met hen tientallen andere en ze kunnen alle worden vertoond. We zullen het ermee moeten doen tot het Filmfonds weer bemand wordt door mensen die in staat zijn zich sterk te maken voor een filmklimaat, en dat niet verwarren met een filmindustrie.