Kees de Tippelaar

De flauwste bijnaam voor een Nederlandse sporter die zich al dan niet gemotoriseerd wat sneller voortbeweegt dan zijn landgenoten is `De Vliegende Hollander'. Hoeveel van die Hollanders zouden in het buitenland zo worden genoemd? Het moeten er duizenden zijn, misschien wel miljoenen. Cornelis Dudok de Wit had geluk: in de Verenigde Staten werd hij `De Wandelende Hollander' genoemd.

Een eretitel is pas een eretitel als niet een op de tien mensen aanspraak mag maken op diezelfde status. Verder moet in één keer duidelijk worden wat voor speciale verdiensten zijn behaald. In het geval Dudok de Wit was dat wandelen, zoveel is wel duidelijk. Hij had nóg een bijnaam: Kees de Tippelaar.

Ook volkomen terecht en na die constatering wordt het toch eens tijd deze man te introduceren. Op 3 oktober 1843 werd Dudok de Wit geboren in Amsterdam, maar verhuisde al snel naar Breukelen. Vier uur slaap per dag was voldoende voor hem - tussen tien uur 's avonds en twee uur 's nachts. De dag vulde hij met enorme wandelingen.

De nachten werden vrijgehouden voor het onderhouden van een uitvoerige correspondentie met zijn vrienden en contacten. Omdat zijn wandelingen hem over de hele wereld voerden, kon hij die nachtelijke uren goed gebruiken. Er moest veel geschreven worden. En snel, want hij antwoordde altijd per ommegaande.

De Vliegende Hollander, alias Kees de Tippelaar was excentriek. Op hogere leeftijd tooide hij zijn geliefde pony Kee met een hoge hoed. Hij stuurde het dier regelmatig naar de huishoudster om te controleren of het eten al klaar was. Indien dat zo was, pakte hij zijn geweer en schoot in de lucht. Door dat soort dingen weten de mensen wie je bent.

Er was in de tweede helft van de negentiende eeuw daarom geen man die meer heeft gedaan voor de wandelsport dan Dudok de Wit. Niet dat hij er speciaal aandacht voor vroeg, maar iedereen kwam hem gewoon de hele dag tegen. Dat kon in Breukelen zijn, of in New York of op Java. Op dat eiland was hij de eerste Europeaan die er dwars overheen liep. De boottocht erheen benutte hij om de taal te leren van de oorspronkelijke bewoners. Tijd zat bleek later, want het liep allemaal goed af.

Pas decennia later werd het wandelen hier een breed beoefende bezigheid, zoals dat in deze zomermaanden weer zichtbaar wordt met de golf van vierdaagsen die over het land spoelt. Het was voor Dudok de Wit al in de eeuw daarvoor normaal en zijn dorp eerde hem daarom met een rijmsel:

`Er is maar ene goede Breukelaar; En dat is Keessie en dat is Keessie; Er is maar ene goede Breukelaar; En dat is Keessie de Tippelaar'

jurryt@xs4all.nl