Huilen helpt niet meer

Herman Hesse was beroemd, ontving de Nobelprijs, raakte in vergetelheid, en werd herontdekt door de hippiegeneratie die zich laafde aan zijn mystiek en escapisme. Nu, 125 jaar na zijn geboorte, is het tijd voor een herontdekking.

Hermann Hesse? Ja, vroeger wel eens gelezen, maar dat is lang geleden. Vroeger? In de jaren zeventig zult U bedoelen, want toen waren zijn romans een hype. Hesse verscheen in de serie 'Kwintessens' van de Bezige Bij, samen met andere goeroes van de bewustzijnsverruiming zoals de Duitse seksuoloog Wilhelm Reich (Luister, kleine man), de Amerikaanse antropoloog Carlos Castaneda (De lessen van don Juan), de Belgisch-Franse fantastisch-realisten Pauwels en Bergier (De dageraad der magiërs) en Harvard-psycholoog Timothy Leary (De psychedelische ervaring). Die laatste auteur komt de eer toe dat hij Hesse heeft herontdekt. De meeste romans van Hermann Hesse verschenen tijdens het interbellum, maar hoewel hij in 1946 de Nobelprijs kreeg, verdween na de Tweede Wereldoorlog de belangstelling voor zijn werk. Tot hippieherder en LSD-apostel Leary in 1963 (een jaar nadat Hesse was overleden) in een artikel Hesse uitriep tot grootmeester van de psychedelische opstijging. Een beetje overdreven, want meer dan een snuifje coke wordt er in de romans van Hesse niet genomen. Niettemin was het stuk van Leary de aankondiging van een revival, eerst in de de Verenigde Staten en daarna in Europa en Japan, die tot miljoenenoplagen leidde. Hesse werd mateloos populair als de vertolker van de rebellie der pubers en hun alternatieve levensgevoel. Sindsdien is de belangstelling voor zijn werk van Hesse verminderd maar niet verdwenen. Omdat hij op 2 juli dit jaar 125 jaar geleden geboren werd, heeft de Bezige Bij vier van zijn romans in één band uitgebracht.

Siddartha, de in 1922 gepubliceerde roman over de opstand van de jeugd tegen het ouderlijk gezag, was het favoriete boek van Leary. Is dat de reden dat de bundel met dit werk opent en de titel ervan prominenter dan die van de andere drie op het omslag is afgedrukt? Het is gissen, want enige toelichting ontbreekt, zoals ook de keuze van deze vier romans niet wordt verantwoord. Waarom bijvoorbeeld niet Narziss en Goldmund of Het kralenspel en wel Reis naar het morgenland en Siddartha? De vraag klemt vooral bij deze laatste roman. Bij herlezing blijkt dat de gedragen vroomheid die Hesse ook elders parten speelt, in dit boek onverteerbare proporties aanneemt. De stroop druipt langs de bladzijden. Siddartha lijkt in hoge mate het product van een matig verwerkt verleden, waarin de schrijver in hevig conflict kwam met zijn ouders: alsof er iets goed gemaakt moest worden.

Hesse, in 1877 in het Zwarte Woud geboren, werd opgevoed in een streng-piëtistisch milieu. Deze ascetische variant van het toch al loodzware Duitse protestantisme koesterde de principiële opvatting dat God in jezelf huist en dat je de heilige plicht hebt elk moment van de dag te luisteren naar Zijn stem, die via het persoonlijke geweten tot je komt. De ouders en grootouders van Hesse onderhielden nauwe banden met de missie, zijn moeder was in India geboren. Al op jonge leeftijd breekt Hesse met zijn ouders en hun strenge levensopvatting. Hij loopt weg van het seminarie, op zijn veertiende doet hij een poging tot zelfmoord. Later neemt hij een baantje in een boekhandel en begint hij te schrijven. In 1911 maakt hij een reis naar India, in een poging om het waardevolle te ontdekken dat voor zijn ouders en grootouders een vanzelfsprekendheid was. De tocht wordt een grote teleurstelling: hitte, armoede en smerigheid zijn de overheersende indrukken.

In de roman Siddartha is India niet veel meer dan het decor van een vlucht uit eigen land. De hoofdpersoon sluit zich aan bij een sekte die hem tot een succesvol zelfonderzoek beweegt. Vooral zijn liefde voor de natuur voert hem naar diepere inzichten. De toon van het verhaal irriteert in hoge mate. Hesse lijkt teveel zijn best te hebben gedaan om tegen beter weten in de Indiase ervaring te verheffen tot een hoogtepunt van mystieke bezinning. Dat juist dit werk in de jaren zeventig zo aansloeg, zegt iets over de hyperromantische hang naar anti-Westers escapisme en Oosterse zuiverheid in de jeugdcultuur van die periode.

Daarentegen is De steppewolf (1927) een hoogtepunt in het werk van Hesse. Hoofdpersoon Harry Haller is een man van tegen de vijftig, zonder vast beroep. Hij woont teruggetrokken op een zolderkamer, leest en schrijft voor zichzelf, gedraagt zich onopvallend. Op de weinige mensen die hij kent, maakt hij de indruk begaafd maar vooral zonderling te zijn, schuw en vol onrust. Hij weet niet wat hij met zichzelf en de wereld aan moet. Over alles en iedereen heeft hij een vernietigend oordeel, zijn eigen persoon niet uitgezonderd. Zelfrespect is hem vreemd. Zijn zielekwaal is niet het symptoom van een gekweld individu, maar de neurose van een generatie. Hij lijkt op iemand die uit de middeleeuwen is overgeplaatst in een nieuwe tijd, een dwalende die elk houvast ontbeert. Hij ziet iedereen voortrazen en wegvluchten, waarheen en waarvandaan is niet duidelijk. Niemand weet zich raad en de meesten zoeken vertier in een cultuur `waarin het leugenachtige klatergoud hen als een braakmiddel aangrijnst'.

Hoewel De steppewolf driekwarteeuw geleden verscheen, lijkt Harry Haller aan het begin van de 21ste eeuw te leven. Zijn problemen zijn die van een dolende, die temidden van een dolgedraaide consumptiedrang geen enkel baken ziet dat zijn leven zin kan geven. Omdat hij voortdurend op zoek is en zich nergens thuis voelt, noemt hij zichzelf een steppewolf. Als buitenstaander wordt hij gedreven door een hevig verlangen naar, ja naar wat? Dat weet hij niet, zoals hij ook niet precies weet wat zijn klachten zijn. Er is slechts een onbestemd gevoel van gekweldheid. Hij zoekt het geestelijke avontuur van het schrijverschap, maar verlangt ook naar een rustig en gerieflijk bestaan. Hij wil dichter en burger zijn, voelt zich zowel mens als wolf, een man van de geest maar ook van de driften. Hij bestaat uit een onoverzichtelijke verzameling van tegengestelde emoties en ambities.

Waar blijft het ik? Is het mogelijk een persoonlijkheid te worden die het gevoel heeft in harmonie met zichzelf te leven? In De steppewolf probeert Harry Haller een antwoord op die vraag te vinden door het gezelschap te zoeken van Hermine en Maria, twee vrouwen die hij in de kroeg heeft leren kennen. De hallucinerend beschreven trektocht van dit drietal voert door het rauwe leven en eindigt in een magisch theater, `alleen voor gekken'. Daar leert Harry Haller hoe innerlijke rust en zelfvertrouwen bevochten moeten worden: door zijn verwarring onder ogen te zien en te aanvaarden. Alleen de erkenning dat hij een `gek' is, dat wil zeggen een gespleten persoon, kan leiden tot een overwinning op zijn gevoel van gekweldheid en tot een zinvol bestaan.

Demian (1919) is het verhaal over de ontmoeting van de schooljongen Emile Sinclair met de raadselachtige Max Demian. Ook hier komen een aantal bekende Hesse-thema's aan de orde: vervreemding, gespletenheid, hunkering naar harmonie, verzoening langs de weg van de vriendschap. Net als in De steppewolf verbindt Hesse de persoonlijke problemen van zijn hoofdpersoon op een overtuigende manier met de verwarde tijdgeest. De schrijver van Demian voelde zich diep getroffen door de uitbarsting van collectieve vernietigingsdrang die in 1914 begon, maar raakte bovendien in 1916 in een persoonlijke crisis toen zijn eerste huwelijk op de klippen liep. Na een succesvolle therapie bij een leerling van de psychoanalyticus Jung schreef hij deze roman.

Hoofdpersoon Emile Sinclair beseft dat de oude wereld is onttakeld. De vooruitgang heeft als moreel imperatief afgedaan en de hel is een aardse werkelijkheid geworden. De Europese civilisatie kampt met een vacuüm dat wordt opgevuld door een fanatiek idealisme. Max Demian verpersoonlijkt de verwarring van de nieuwe tijd. Hij redeneert als iemand die lak heeft aan elke moraal, maar in zijn gedrag toont hij zich humaan. Hij heeft de oorlog zien aankomen: `De mensen zullen het heerlijk vinden, iedereen verheugt zich er al op om er op los te kunnen slaan. Zo kleurloos is het leven voor hen geworden.' De uitbarsting van woede richtte zich niet in de eerste plaats tegen de vijand, maar kwam voort uit een innerlijke behoefte, een gevoel van verscheurdheid dat een uitweg zocht in de razernij.

De oorlog heeft de Europese geest bedorven en in wanhoop zoekt men zijn toevlucht in de eenheidsdrang van het communistische ideaal. Max Demian ziet er weinig in: `Of de arbeiders hun bazen doodslaan of op de arbeiders van andere landen schieten, het is hetzelfde sentiment'. Europa is bezig zijn ware ziel te verliezen: die van het individualisme. Is er nog hoop? De meeste mensen, zo houdt Demian zijn vriend Emile voor, zijn carrièmakers, kuddedieren, slaven. Ze leven onwerkelijk, houden hun oppervlakkige waarnemingen voor de realiteit en praten na wat ze in hun omgeving horen. Maar dat geldt niet voor allen. Er bestaat een weg naar de autonomie, de verantwoordelijkheid, het zelfvertouwen en de onafhankelijkheid. Emile weet die volwassenheid te benaderen dankzij zijn vriendschap met Max Demian. Ligt ook voor Europa als geheel deze weg open? Dat is voor Hesse een steeds terugkerende kernvraag die zijn werk actualiteitswaarde geeft. De culturele crisis die hij waarnam, bestond uit een bedreiging van de individualistische geest door de kuddementaliteit, een probleem dat in elke periode zijn eigen vorm aanneemt.

De politieke dimensie van de Europese teloorgang stond volgens Hesse in direct verband met het gedrag van Duitsland. In zijn oeuvre is er veel aandacht voor een aantal typisch Duitse thema's: de angst voor de ondergang, de voorkeur voor utopische idealen, de hang naar een hoger bewustzijn. In De steppewolf zegt Harry Haller: `In de Duitse geest heerst gebondenheid aan de natuur in de vorm van een hegemonie van de muziek'. De melodieuze taal zonder woorden drukt perfect het verlangen uit naar de onuitsprekelijke harmonie. Ook in het werk van Hesse speelt muziek vaak de rol van verlosser. Maar opmerkelijk genoeg doorzag hij dat dit verlangen op te gaan in het woordeloze geheel der klanken, een belangrijke taak van de geest ondermijnde: de werkelijkheid onder ogen zien. De a-politieke houding van veel Duitse intellectuelen, door Thomas Mann voorbeeldig verwoord in zijn Betrachtungen eines Unpolitischen (1918), werd door Hesse doorzien en veroordeeld.

Veel eerder dan deze latere vriend en geestverwant (door Hesse in Het kralenspel vereeuwigd als Thomas von Trave), gaf Hesse blijk van een scherp inzicht in politieke verhoudingen. Al in 1912 was zijn afkeer van het Duitse nationalisme zo groot dat hij naar Zwitserland verhuisde. Hij bleef er zijn hele leven wonen. Beroemd werd zijn kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in de Neue Zürcher Zeitung verschenen stuk `Ach vrienden, niet deze tonen'. Daarna werd hij in eigen land door de chauvinistische pers verguisd als `vaterlandsloser Gesselle' en `Leckerlifresser'. Een van de weinige vrienden die hij tijdens de oorlog maakte was de Franse schrijver Romain Rolland, maar typerend voor Hesse's onafhankelijkheid is dat hij diens oproep tot steun aan het communisme (Rolland werd een prominente fellow traveller) niet volgde.

Na de mislukte opstand van de communistische Spartakisten in Duitsland, die in januari 1919 eindigde met de moord op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, schreef Hesse het pamflet De terugkeer van Zarathoestra, nu in het Nederlands uitgebracht door Aspekt. Aan dit lovenswaardige uitgeversinitiatief wordt afbreuk gedaan door de slonzige manier waarop deze uitgave is geredigeerd. De tekst van Zarathoestra is aangevuld met een aantal willekeurig gekozen fragmenten uit Hesse's brieven en artikelen. De vermelding van herkomst is hoogst onvolledig.

Uitvoeriger dan in Demian formuleert Hesse in De terugkeer van Zarathoestra zijn bezwaren tegen het communisme, `een oud, wat komisch geworden recept uit de stoffige alchemiekeuken'. Dat deze doctrine ook gevaarlijk was, bleek vooral uit de behoefte om het lied van de collectieve waan aan te heffen. Er worden, aldus Hesse, in de klassenstrijd teveel vuisten gebald. Achter nobele doelstellingen gaan het eigenbelang en de zelfzucht van een machtsbeluste elite schuil. Hesse was een van de eersten die vaststelde dat het communisme net als het fascisme een rancunebeweging is: men hunkert naar een daadkracht die zich uit in het verlangen vijanden te vernietigen.

Zarathoestra is `een oude man die veel gezien heeft en die van het huilen geen hoge dunk meer heeft'. Behalve het politieke extremisme onderwerpt hij de Duitse natie aan een snijdend oordeel. Hesse keert zich fel tegen het antisemitisme dat na de eerste wereldoorlog in Duitsland een steeds heftiger karakter kreeg. Veel Duitse intellectuelen bekeerden zich tot de anti-democratische `conservatieve revolutie' waar Hesse evenmin iets in ziet. Ernst Jünger, de schrijver die in zijn werk de ervaringen van de frontsoldaten als een mystieke belevenis beschreef, is zijn tegenpool. Niet alleen individuen, ook naties moeten volgens Hesse met hun lot in het reine komen door zich aan een grondig zelfonderzoek te onderwerpen. Na de oorlog verkeerde Duitsland in de greep van een collectief gejammer over het leed en onrecht dat de vijand had aangericht. Maar wat hadden de Duitsers zelf gedaan?

Dit vreemdste volk ter wereld, aldus Hesse, had vóór 1914 de keizer en de onderofficier tot zijn goden benoemd. Zij hadden van Duitsland het toneel gemaakt van een opera die alleen door de Duitsers serieus werd genomen. Er was in dit land grote behoefte aan leiders die bereid waren onder ogen te zien dat de schuld niet alleen bij anderen lag. Alleen die zelfkennis kon ertoe bijdragen dat de Duitse natie zich verzoende met haar lot. Zou dit ooit een mogelijkheid kunnen worden? Hesse vestigde zijn hoop op de moedige en onafhankelijke mentaliteit van Nietzsche, de woordvoerder van de andere Duitse geest die nu in de verdrukking zat maar hopelijk snel aanhang zou winnen.

De bestemming van Duitsland en Europa, zo wist Hesse, waren nauw met elkaar verbonden. In zijn laatste twee romans, Reis naar het morgenland (1932) en Het kralenspel (1946) buigt hij zich over de toekomst van het oude continent. Evenals in Demian wordt dit grootse thema benaderd via het dubbelspoor van individuele volwassenwording en politiek-culturele ontwikkeling. In Reis naar het morgenland, de laatste roman die in de Bezige Bij-bundel is opgenomen, is de hoofdpersoon lid van een verbond dat een trektocht organiseert, weg van het avondland dat met de ondergang wordt bedreigd. Zijn verslag van deze reis, die zowel door de middeleeuwen als door `het gouden tijdperk' van de toekomst voert, is het relaas van een teleurstelling. De leden van dit gezelschap zijn bezeten van de drang om weg te vluchten naar de dageraad van een hooggestemd en zuiver ideaal. Zij laten zich leiden door de behoefte alles te vergeten wat ze hebben meegemaakt. Ze leven in een ijle atmosfeer, op grote afstand van een realiteit waarvoor ze zich afsluiten.

Dit verbond van trekkers raakt volledig gedesoriënteerd als hun dienaar Leo zich losmaakt van de troep en verdwijnt. Hij wordt vervloekt en verdacht van diefstal. Belangrijke documenten en kaarten zijn zoekgeraakt. Na het vertrek van deze spelbreker ontaardt de tocht in chaos en verwarring. Later probeert de hoofdpersoon, die van beroep violist en sprookjesverteller is, de geschiedenis van dit gestrande avontuur te schrijven. Leo blijkt dan niet de dienaar maar de leider te zijn van het broederschap. Het verleden van dit verbond blijkt de geschiedenis van het complete avondland te zijn, een niet te ontcijferen en dus ook niet te beschrijven mozaïek van contrasten en tegenstellingen. De geschiedenis bestaat niet, zoals er ook geen ideaal bestaat dat de waarheid verschaft. Elke tocht naar het morgenland is gedoemd tot een wanorde die echter óók het kenmerk is van culturele rijkdom. Hoe dit schervenrijk bij elkaar wordt gehouden, dat is het geheim waar de mislukte historicus annex sprookjesverteller in deze roman achter probeert te komen.

In Reis naar het morgenland koos Hesse voor een thematiek die, zijn complete oeuvre overziende, een zekere monotonie heeft. Hij is het type schrijver dat elke keer hetzelfde boek schrijft. Het geheim van zijn schrijverschap is hoe hij dat telkens weer zo anders doet dat het resultaat vaak meeslepend is. Zeker, Hesse heeft zijn zwakke kanten: hij wil teveel uitleggen, droomt te ver weg, grossiert in sentiment en pathetiek, is vaak te braaf en te vroom. Maar daar staat iets tegenover dat die bezwaren laat verbleken. Als verteller is Hesse een magiër wiens simpele taalgebruik van een grote intensiteit blijk geeft. In zijn beste romans, vooral in De steppewolf en Narziss en Goldmund, staan al zijn zintuigen op scherp. Zijn helden maken iets mee waarvan je voelt dat het voor de auteur zelf een heftige ervaring is geweest. Met zijn dwingende verteltrant roept Hesse een universum op dat blijft boeien, ook doordat zijn thema's nog altijd hypermodern zijn. Hoe de eigentijdse mens zich in een wereld zonder houvast door het leven moet slaan, op die kwellende vraag heeft Hesse een antwoord dat ook in de 21e eeuw nog aanspreekt.

Hermann Hesse: Siddartha. De steppewolf. Demian. Reis naar het morgenland.

De Bezige Bij, 590 blz. €25,–

Hermann Hesse: De terugkeer van Zarathoestra en andere gedenkschriften tegen het radicalisme van rechts en links.

Aspekt, 141 blz. €12,98