Het moet een ruisend zwijgen zijn

In het derde deel van de reeks gesprekken met Nederlandse dichters praat Marjoleine de Vos met Hester Knibbe. ,,Je zou kunnen zeggen dat dit een anti-psalm is.'

Veel gedichten in de bundel Verstoorde grond van Hester Knibbe (1946) gaan over een kind, een zoon, en wie de bundel aandachtig leest begrijpt dat die zoon er niet meer is. Of het nu gaat om het schilderij van Rogier van der Weyden, `Madonna in rood', over een vakantie op een mediterraan eiland, over plaatsen in Nederland of Slovenië, alles vult zich met herinnering en gemis, met moeders en zonen.

Er zijn 150 psalmen, toch heet dit gedicht `Psalm 4631'. Vanwaar dat hoge nummer?

,,Sinds de psalmen van David zijn er heel wat eeuwen verstreken, dus een hoog nummer leek me wel gerechtvaardigd. Maar het nummer is ook onverbrekelijk verbonden met de `ik' uit het gedicht.'

In welk opzicht?

,,Het is een grafnummer. En wel dat van mijn zoon. En daar stuit je al meteen op het probleem dat ik tegenkom wanneer ik praat over deze gedichten; in hoeverre heb ik het gewoon `sec' over de poëzie, en in hoeverre laat ik het persoonlijke, wat met mijn zoon verbonden is, toe.'

Waarom is dit gedicht een psalm?

,,De eerste regel heb ik ontleend aan de psalmen, in veel klaagliederen is er sprake van roepen. `Uit de diepten roep ik tot U, o Heer', staat er bijvoorbeeld ergens. Maar je zou ook kunnen zeggen dat dit een anti-psalm is, want het is niet bedoeld als gebed, een roepen tot God.'

Waarom wilde u dan toch een psalm schrijven?

,,Wellicht uit een vorm van woede. Om wat er gebeurd is. Ik ben heel christelijk opgevoed, daar hou je wel wat aan over. Ook goede dingen. Maar ik ben allergisch voor uitspraken als `Je kunt het neerleggen bij God en dan krijg je steun'.'

Heeft u ook overwogen om dat `niet' uit de tweede regel in de eerste regel te zetten?

,,Ja dat heb ik wel overwogen, maar ik heb het op de volgende regel gezet om zowel het roepen als het niet-roepen een plaats te geven. Door het op een volgende regel te zetten maak ik er een geluidloos roepen van.'

U gebruikt de uitdrukking zand erover hier letterlijk?

,,Er wordt met dat zand niet alleen een kist, een lichaam afgedekt, maar ook een leven. Voor de buitenwereld is het dan voorbij, gaat na een poosje het leven gewoon weer verder. Begrijpelijk, maar ook dat is een vorm van `zand erover'. Ik heb het niet opgezocht, maar het lijkt me dat dit de oorspronkelijke, wat rauwe betekenis van die uitdrukking is. Nu gebruiken we het vaak na een ruzietje, maar van oorsprong heeft het denk ik dat luchtige niet.'

Doordat u enjambeert na schreeuwen, betekent `heeft het schreeuwen' ook `bezit het schreeuwen'. Tegelijkertijd staat er `ik zwijg'.

,,Ja, het is beide. Terwijl er in het lijf veel gebeurt, is het toch heel stil. Het wit na `schreeuwen' is ook een vorm van zwijgen. En het zwijgen staat zo tussen het `roepen' uit de eerste regel en het `schreeuwen' uit de derde ingeklemd.

Waar komt die eik vandaan?

,,Een eik is zo'n majesteitelijke boom, je zou hem de kathedraal onder de bomen kunnen noemen. Eronder hangt hetzelfde gedempte, gefilterde licht. En als er een forse wind doorheen gaat hoor je hem kreunen. Maar er is weinig dat er wil bloeien.'

U schrijft kreunen en klagen, tak en stam etc. Werkt u aan de klank?

,,Het gaat gedeeltelijk vanzelf, maar soms merk ik dat er iets niet klopt aan de klank of het ritme. Daar ga ik dan iets aan doen. Ik heb eens een gedicht geschreven waarvan ik almaar dacht: wat is het toch looiig, tot ik merkte dat het vooral uit aa-klanken bestond. Het kwam daardoor niet van de grond.'

De derde strofe heeft maar twee regels, de andere allemaal drie.

,,Die strofe staat precies in het midden, en die is ook de spil van het gedicht. Het draait daar voortdurend om dat er iets afgerukt is, en om het woordeloos staan.'

Echt woordeloos is het niet, want dit is een gedicht.

,,Tja, als je een gedicht leesbaar, verstaanbaar wilt maken zul je enige concessies moeten doen. Het is waar, ik schrijf er een hele bundel over, dat kun je moeilijk woordeloos noemen. Maar in andere zin is er sprake van sprakeloosheid.'

De derde keer dat u `laat' schrijft, volgt daarop een zwaar enjambement, over de witregel heen.

,,`Laat' vind ik typisch een psalmen-woord, vandaar dat ik het drie keer gebruik. De extra witregel kun je lezen als de moeite die het kost om onder omstandigheden verder te gaan op een niet-klagerige manier. Ik heb wel gedacht aan dat gedicht van Marsman over het leven, `Lex barbarorum', die laatste twee regels: `allen die wegkwijnen aan een verdriet,/ verraden het en dat wìl ik niet'. Ik heb dat `het' altijd geïnterpreteerd als een verwijzing naar zowel het leven als het verdriet.'

Vandaar dat het zwijgen als een `kroon' moet zijn?

,,Het klinkt wat verheven, maar ik wil op deze manier het zwijgen een bepaalde schoonheid geven. Het moet niet het donkere zwijgen zijn van onder de eik, maar zoals dat van de kroon, die naar het licht reikt. Het moet een ruisend zwijgen zijn.'

Hoe kunnen de wortels van een eik zich aan hem hechten?

,,Dat `hem' slaat op degene om wie de klacht draait. Ik heb ook `jou' geprobeerd, maar dat vond ik toch niet passen. In de psalmen is er in die zin ook nooit sprake van een `jou'.'

Dit is een psalm, maar toch wordt het gebed gesmoord.

,,Je kunt zeggen dat het een psalm is die ná alle bidden is geschreven. Dan krijg je een psalm waarin voor een gebed geen plaats meer is.'