Het goede leven is nooit goed genoeg

NEW YORK-GLION-CITADELLA DEL CAPO Het enige wat mijn goede vriend P. aan de wereld zal nalaten is een eindeloze stroom van zelfmedelijden, soms opgetuigd als charmante conversatiekunst, dan weer vermomd als ingenieuze koopwaar. Helaas nooit ingenieus genoeg om van zelfmedelijden te kunnen leven. Wie van niets goud wil maken moet het geld uit het diepst van zijn hart verachten, zonder die verachting blijft alle handel steken in kruimeldiefstal.

Dat heb ik ook aan de nieuwe vrouw van P. medegedeeld, tegelijkertijd heb ik haar aangeraden af te zien van het huwelijk met P. Haar tweede. De eerste keer trouw je om liefde, de tweede keer om geld. Je kunt ook al de eerste keer om geld trouwen, dan neem je de sluiproute.

De nieuwe vrouw zingt. Lang niet slecht. Een beetje rauw, op het pijnlijke af, maar daar houd ik wel van. Over vallen en nooit meer kunnen opstaan.

De verheerlijking van de zelfkant is de brandtrap voor hen die zijn uitgesloten door de maatschappij. Dat de maatschappij mij inmiddels met open armen ontvangt is niet de belangrijkste reden dat ik die verheerlijking ver van mij af heb geschoven.

De Europese Centrale Bank nodigt mij uit in september voor te lezen in Frankfurt am Main. Ach, de Europese Centrale Bank is niet meer dan een voetnoot bij dit verhaal, een kleine illustratie bij de stelling dat niemand zoveel gevoel voor humor heeft als de geschiedenis.

Nu ben ik het die de maatschappij moet afwijzen, die keer op keer moet zeggen, `bedankt voor de uitnodiging, maar ik kan niet komen'.

Voor de Europese Centrale Bank maak ik een uitzondering.

,,Trouw met mij'', heb ik de nieuwe vrouw van P. geschreven, ,,dan is de dagelijkse strijd om het bestaan gevuld met minder zorgen.''

Ik word graag om mijn geld begeerd, ook als het er niet is. En om mijn godsdienstige gevoelens.

In de nieuwe cd van de nieuwe vrouw heb ik vijfduizend dollar geïnvesteerd. Noem het een gift. Ik beleg graag in het noodlot, in het drama dat zich onder mijn ogen zal voltrekken.

De voyeur heeft ten onrechte een slechte naam. Alsof hij die handelt per definitie op een hoger plan staat dan hij die kijkt. Handelen vereist meer blindheid dan kijken.

De laatste afspraak met P. en zijn nieuwe vrouw dateert van midden juni.

Een tuin in het zuiden van Manhattan. Italiaans eten. Zon. Het goede leven, ware het niet dat het goede leven zo angstaanjagend saai kan zijn, als het voortduurt.

Een van mijn beste eigenschappen is dat het goede leven voor mij nooit goed genoeg is, ik moet het vuur opstoken om te kijken of het beter kan. Over mijn slechte eigenschappen gaat de rest van dit verhaal.

P. doet zijn best een aantal onderwerpen niet ter sprake te brengen: zijn ex-vrouw, mijn geld, gemeenschappelijke vrienden en kennissen. Blijft over: het weer, het eten, vakantieplannen en de hond.

Mij valt op, voor het eerst eigenlijk, hoe bang P. is.

Hij siddert, niet wegens het eindoordeel, dat moet nog komen. Ook niet wegens de alcohol, alcohol is angst die niet goed verdreven is, de harde korstjes als het ware.

Een paar minuten na het einde van het hoofdgerecht wil P. weten of ik met zijn ex-vrouw geneukt heb. De vraag ontglipt hem als een demente bejaarde spuug.

Een belachelijke vraag.

Ik neuk niet, ik ben ascetisch. Ik zie mijzelf vooral als een spiritueel leider.

Bovendien, wat voor verschil maakt dat nog? Fysiek contact.

,,Ach wel nee'', zeg ik.

P. siddert omdat hij vreest zijn laatste illusies te verliezen. Hij ziet zichzelf het liefst zoals wij ons allemaal het liefst zien: onvervangbaar.

De nieuwe vrouw vindt het geen prettig onderwerp. Maar ze is slim genoeg om ogenschijnlijk elk gespreksonderwerp te tolereren. Dan valt het me op: ze zitten als ratten in de val.

Zo zie ik mensen graag, want dan kun je hun intelligentie testen. Precies zoals wij dieren opsluiten en dan testen om te kijken hoe intelligent ze zijn. Ik geef toe, meestal sluiten we ze op om andere redenen. En nog een woord ter geruststelling: ik sla niet terug namens de dieren, ik sla terug namens niemand.

Aan het eind van de lunch zegt P. dat we het vaker moeten doen. Voor de verandering nodigt hij mij niet uit plaats te nemen op zijn sofa om toe te kijken als hij de liefde bedrijft met zijn vrouw. Voor wie trekken wij onze kleren uit als er geen toeschouwers zijn en kunnen wij de mensen met wie we denken te trouwen werkelijk beschouwen als toeschouwer?

P. zegt alleen: ,,Ik betaal het eten als jij de fooi betaalt.''

Hij is nu stiefvader. Zijn stiefzoon, zegt hij, is extreem intelligent. En ook, zegt P., ,,heeft die jongen heerlijke, strakke billen.''

Ik weet niet of je als moeder wilt concurreren met de billen van je zoon om de liefde van je man te krijgen, maar nood breekt alle wetten. Mijn moeder concurreert met haar zeven kleinkinderen om de liefde van haar dochter. Goed, ze is niet in concurrentie met de billen van die kleinkinderen, maar dat is een detail.

En zelf worden we verliefd op mensen om de rest van ons leven, of een gedeelte daarvan, ons gebrek aan ouderlijke liefde te compenseren. Nee, als het om concurrentie gaat met het eigen nageslacht kan ik alleen maar mild zijn.

Ik betaal de fooi, en dan verdwijnt P. uit mijn leven.

Alleen zijn nieuwe vrouw stuurt me nog geregeld een e-mail. Ze ziet in mij een brandtrap, of een stuk van een brandtrap, en daar kan ik goed mee leven.

Als brandtrap vlieg ik een paar weken later naar Zwitserland. Een beladen onderwerp, Zwitserland.Altijd weer die vraag, wat doe je daar? Nooit krijg je die vraag als je naar Frankrijk gaat of Italië.

Van Zwitserland houden is zoiets als de billen van je stiefzoon lekker strak vinden.

Het moet gezegd: Zwitserland is misschien wel het mooiste land van de wereld.

Ik neem mijn intrek in een hotel in Glion. In Glion is een beroemde hotelschool.

Langbenig personeel laat iedere avond alles vallen, maar dat is onbelangrijk. Het gaat om het uitzicht, het meer, de bergen, meer bergen.

Vanaf Montreux neem ik de nachttrein naar het diepe zuiden van Italië. De eerste dag regent het in het diepe zuiden en blijft het strand leeg. Ook als de regen ophoudt blijft het strand leeg.

Het hotel, een omgebouwd oud fort, blijkt een huwelijksmachine. Iedere avond verzamelt zich een nieuw bruidspaar met aanhang om een feest te vieren waar men jaren voor heeft gespaard. Iedereen ziet er zeer gestreken uit. Feestvierders doen snel wat geld in een enveloppe voor ze de feestzaal betreden.

Ik denk aan P. die hier had moeten zijn om de tassen van de feestvierders te besnuffelen.

Sommige mensen zien in diefstal een bestaansreden. En wij die denken dat we geen dieven zijn, zullen pas uitgroeien tot spirituele leiders als we de dieven niet alleen vergeven, maar uit het diepst van ons hart bedanken.

In het dorp is ook al niemand. De enige bar: leeg. Een heer met ademnood komt in de namiddag op een tuinstoel zitten (in de bar staan twee tuinstoelen) en vecht zijn oorlog met de zuurstof uit zonder verder iets te nuttigen.

Ik zit op de andere tuinstoel en nuttig wel wat.

Het strand is leeg, de zee tamelijk woest. Er is een rode vlag gehesen.

Soms zou ik mijzelf op de grond willen werpen, diep in het stof, maar ik wacht tot het donker wordt.