Het gezag van de leider

Kan leiderschap bestaan zonder gezag? Het is eigenlijk nauwelijks een vraag. De paradox van de huidige gedemocratiseerde samenleving is dat er zelfs steeds meer waarde wordt gehecht aan sterk en gepersonifieerd leiderschap. Een gevolg van de kakofonie aan opvattingen die tegenwoordig overal gedebiteerd kunnen worden, is dat er een toenemende behoefte bestaat aan richting en sturing. Daarvoor zijn persoonlijkheden nodig; mensen die op overtuigende wijze stelling kunnen en willen nemen. Het succes van Pim Fortuyn was voor een belangrijk deel op dit verlangen gebaseerd.

De roep om sterk politiek leiderschap is eigenlijk van alle tijden. Alleen de intensiteit waarmee erom gevraagd wordt wil nog wel eens verschillen. In zijn onlangs verschenen boek Stijlen van leiderschap laat de historicus Henk te Velde geen enkele twijfel bestaan over de lange historie van de band tussen persoon en politiek. Hij herinnert er fijntjes aan dat reeds in 1848 de parlementaire geschiedschrijver Baron van Welderen Rengers klaagt dat ,,meer de persoonlijkheid der kandidaten dan eene politieke geloofsbelijdenis'' de doorslag gaf bij de eerste verkiezingen na de grondwetsherziening van Thorbecke.

Nu zijn persoonlijkheid en krachtdadig leiderschap twee verschillende grootheden. Meestal gaat het samen – Lubbers kon groeien dankzij zijn no nonsense beleid – maar van iemand als Dries van Agt kan toch moeilijk gezegd worden dat hij zijn populariteit te danken had aan leiderschapscapaciteiten. Daar staat tegenover dat Van Agt misschien dan wel in zijn eigen partij een gevierde persoon was, maar nooit een klinkende verkiezingsoverwinning heeft weten te behalen.

Het draait bovenal om het vertrouwen dat de leider weet uit te stralen. Iets dat overigens niet alleen geldt voor de politiek, maar eveneens voor bijvoorbeeld het bedrijfsleven. De onderneming als zodanig, of de markt waarin het bedrijf opereert is allang niet meer alleszeggend. Op cruciale momenten is van minstens zo groot belang wie de leiding heeft. Hoe sterk vertouwen en persoon aan elkaar gekoppeld zijn, ondervond het noodlijdende telecombedrijf KPN. Louter een wisseling van de topman was vorig jaar goed voor een bankkrediet van 2,5 miljard euro.

Klanten zijn minder merkvast geworden, kiezers minder partijtrouw. En daarbij komt dan nog dat zowel ondernemingen als politici in een steeds conjunctuurgevoeliger markt moeten opereren. Het stelt extra eisen aan het leiderschap. Bijvoorbeeld dat het eenduidig is. Veertig jaar geleden zou het CDA probleemloos een partijgenoot `van buiten' hebben kunnen halen om als minister-president te fungeren. De echte politiek leider zou dan zitting hebben genomen in de Tweede Kamer om vanuit die positie het partijbelang het beste te dienen. Het is het model dat de partijcommissie-Gardeniers in 1994 voorstelde na het verkiezingsechec van het CDA. Voor de huidige tijd zou dit hebben betekend dat lijsttrekker Jan-Peter Balkenende fractievoorzitter was gebleven en een andere CDA-er voor het premierschap zou zijn aangezocht.

Dat desondanks toch niet is gekozen voor dit model heeft alles te maken met het ongekend scherpe politieke profiel dat een minister-president weet te genereren. De premier is op papier slechts voorzitter van de ministerraad, maar in de tegenwoordige mediacratie die het moet hebben van heldere en gepersonifieerde beelden straalt al het beleid op hem persoonlijk af. Vandaar dat partijen zich anno 2002 geen, zoals de historicus Te Velde het noemt, `wegwerppremiers' meer kunnen veroorloven.

Maar hoe moet dat dan met Balkenende? Veelvuldig is de afgelopen weken opgemerkt dat onervarenheid met het leiderschap wel eens de meest kwetsbare kant van zijn premierschap zou kunnen zijn. Geheel bij toeval is hij in het Torentje terecht gekomen. Als toenmalig CDA-partijvoorzitter Marnix van Rij vorig jaar september zijn vete met fractievoorziter Jaap de Hoop Scheffer niet in de openbaarheid had gebracht, zou het overgrote deel van Nederland nu nog steeds niet hebben gehoord van Balkenende.

Balkenendes carrière is een product van onvoorziene omstandigheden. Een niet voorziene crisis in het CDA, gevolgd door een onvoorziene crisis in het politieke bestel (de moord op Fortuyn) brachten hem waar hij nu zit: leider van het land. Kan het wat worden? Hij zou niet de eerste zijn die zich vanuit het niets zal weten te ontpoppen tot een natuurtalent. De oude `rot' Norbert Schmelzer merkte enige tijd geleden op dat Balkenende in het leiderschap moet groeien.

Maar zeker na zijn eerste optreden als minister-president in de Tweede Kamer, vorige week, is de vraag of hij die kans ook zal krijgen. Het CDA wil hem daartoe ongetwijfeld de ruimte bieden, maar dat geldt niet voor de politieke concurrentie. Daar weet men waar de zwakte van Balkenende zit: het ontbreekt hem aan natuurlijk gezag. In zijn eerste confrontatie met de Tweede Kamer is dat vorige week duidelijk gebleken. Er stond een minister-president in naam, maar verder was het toch vooral een Tweede-Kamerlid dat toevallig in vak K leek te zijn beland. Althans, zo werd hij door zijn ex-collega's behandeld. Balkenende werd op niet mis te verstane wijze, zoals dat in de sport heet, `gepiepeld', waarbij VVD-leider Zalm een hoofdrol speelde. Hij stond nadrukkelijk stil bij de verantwoordelijkheid die Balkenende droeg voor de ,,verkeerde benoeming'' van staatssecretaris Bijlhout. Balkenende moest het ook niet wagen een eventuele motie van Zalm niet uit te voeren, en ja, ook hij had nog een leuke benaming voor het kabinet: armoe troef.

Het kan natuurlijk allemaal uitgelegd worden als een vrijpostige vorm van dualisme. Maar premiers als Lubbers en Kok was dit waarschijnlijk niet overkomen. Zij hadden de statuur die Balkenende ontbeert. Een statuur die ze hadden opgebouwd in hun vorige functies. Balkenende moet nog aan dat bouwen beginnen. En hij weet nu: afgezien van het CDA zal niemand hem daarbij helpen.