Het beulswerk zelf ter hand nemen

Westerse commentatoren proberen Rusland vaak te vangen in een simpel schema van hervorming en vooruitgang. Een groot historisch werk met allure en eigenwijze deelstudies maken duidelijk waarom dat kortzichtig is. De Russische bodem is nog doordrenkt van het verleden.

Er zijn weinig landen waar nieuwe ideeën zulke drastische vormen kunnen aannemen als Rusland. Er zijn ook weinig landen waar de uitvoering van nieuwe ideeën zo vaak lijkt op oude ideeën als Rusland. De privatisering van de bodemschatten in de jaren negentig bijvoorbeeld is verkocht als hét liberale project van twintigste eeuw. Maar toen het voorbij was, bleek de socialistische subelite van weleer niet verzwakt maar juist versterkt uit de snelkookpan te zijn gekomen.

Om dit te erkennen is een dosis scepsis nodig, neigend naar cynisme. Vandaar misschien dat continentale historici en politicologen veelal een ruimhartiger oog hebben voor deze ongerijmdheid in de Russische geschiedenis dan hun Angelsaksische vakgenoten, en de Britse weer meer dan de Amerikaanse. Vandaar wellicht ook dat gekwalificeerde journalisten zich de afgelopen jaren vaker wagen aan de contemporaine ontwikkelingen in Rusland dan wetenschappers.

Twee recente boeken en een wat ouder overzichtswerk illustreren deze verschillen. De Moskouse marxist Boris Kagarlitsky publiceerde Russia under Yeltsin and Putin, een analytisch boek dat door zijn diepgang maar een beetje last heeft van de trotskistische preoccupaties van de auteur. Anders dan de Amerikaanse politicoloog Michael McFaul, die in Russia's unfinished revolution de politieke veranderingen door een positivistische bril beziet, is Kagarlitsky permanent op zoek naar ordinaire machtsverhoudingen. De Britse historicus Geoffrey Hosking biedt de eigentijdse geschiedschrijving in Russia and the Russians, dat de allure heeft van een standaardwerk, een onontbeerlijk fundament. Hosking en Kagarlitsky zijn, om verschillende redenen, sceptici die de nadruk leggen op de lange golven. McFaul is een lineaire optimist die de geschiedenis eigenlijk pas in 1985 zou willen laten beginnen. De houding van de eerste twee biedt het meeste soelaas.

Hosking is een van belangrijkste hedendaagse historici en heeft de afgelopen jaren een imponerende reeks boeken over Rusland geschreven. Hij behoort, net als de helaas minder productieve Jan W. Bezemer (1921-2000) in Nederland, tot een school die probeert niet in de kuil te vallen die de binaire benadering van de Koude Oorlog heeft gegraven. Hosking kijkt sociologisch naar Rusland. Hij ontkent de radicale breukpunten in de geschiedenis niet, maar hij neemt de wendingen naar links of naar rechts evenmin honderd procent serieus. In Russia and the Russians bereikt deze evenwichtskunst grote hoogte. Het resultaat is een rijk boek dat uitdaagt tot beschouwing en tegenspraak.

Russia and the Russians heeft een conventionele opzet. Het begint bij Vladimir Monomach, die ruim duizend jaar geleden vanuit Kiev aan de opmars van Rusland begon. Het eindigt met Vladimir Poetin die nu op grotere schaal vergelijkbare werkzaamheden wil verrichten. Maar de inhoud van de tussenliggende zeshonderd bladzijden is veel minder gewoon. Hosking concentreert zich op de eindeloze rij hervormingen die Rusland heeft moeten ondergaan. Maar `grote stappen, snel thuis' is allerminst zijn methode. Zijn greep op de feitelijke details is jaloersmakend. En toch blijft het bos door de bomen zichtbaar. Ik pik er één bospad uit.

Een van de oorzaken waardoor vernieuwingen er zo vaak anders uitpakten dan bedoeld, is het specifieke en deels door de Tataren geïntroduceerde karakter van de Russische feodaliteit. Anders dan in West-Europa ontbeerde die een juridische basis. De loyaliteit tussen heer en vazal was daarom zwak ontwikkeld. Mede omdat de heer een wettelijke noch morele plicht had om zijn onderdanen te beschermen (sterker, ondergeschikten werden geacht hun superieuren met giften te gerieven) kon de cultuur van horigheid diep doordringen. Zelfs de slavernij was in Rusland anders: slaven werden niet uit andere etnische groepen geplukt, maar uit de eigen bevolking, een unieke constellatie.

Zeker vanaf Peter de Grote (1682-1725) kwamen daardoor de hervormingen in het gedrang. Na hem zouden al zijn opvolgers het begrijpen: een goede hervormer moet een echte autocraat zijn. Want altijd moest de tsaar twee dingen tegelijk bevorderen. Hij moest het land openen zonder dat het volk er weet van had. Het eerste noopte tot een open oog voor de buitenwereld, vooral het Westen. Maar het tweede, de onwetendheid van de massa, eiste oriëntatie op de boeren, die zich met de grond verbonden voelden. Het gevolg was een modernisering die zichzelf in de weg zat: de adellijke elite, die psychologisch verwesterde, moest in de praktijk de archaïsche structuren in stand houden.

Een middel om deze contradictie niet te laten ontploffen was territoriale expansie. Gebiedsuitbreiding werd een Russisch dogma. Land was een ander woord voor macht. Om het uitdijende imperium te beheersen, moest het gezag een stevige bureaucratie op poten zetten. Het leidde tot een militair-fiscaal complex zonder weerga. De consequenties waren groot, zeker in de negentiende eeuw toen de omringende mogendheden grote sprongen voorwaarts maakten. Ook Rusland zette de eerste stappen richting industrialisatie, met de afschaffing van de lijfeigenschap. Andere juridische maatregelen om de verburgerlijking van de samenleving in goede banen te leiden, bleven grotendeels uit. In de civiele wetgeving, bijvoorbeeld om een naamloze vennootschap mogelijk te maken, bleef Rusland mijlenver achterlopen.

Ook de bevrijding van de horige boeren bleef halverwege steken: wel vrijheid maar geen grond. Die situatie was bepaald geen stimulans voor technologische innovaties in de agrarische sector, die zich altijd rijk had gerekend door de overvloed aan areaal en toch al onder druk stond door de gestage emigratie van jonge mannen die in het leger moesten dienen en daar tenminste een opleiding konden volgen. De urbanisatie eind negentiende eeuw leidde bovendien tot een (religieuze) crisis onder de boeren, die zich niet meer lieten leiden door de westers aangeklede elite maar ook niet wisten waar ze hun identificatie met de aarde dan nog wel moesten zoeken.

Aan de vooravond van de revoluties van 1905 en 1917 was Rusland zodoende een gespleten land met een duale economische basis en een tweezijdige bovenbouw. Sommigen hadden dat door. Lenin bijvoorbeeld, de machtspoliticus voor wie het socialisme een variant was van het Russische imperialisme, een axioma dat Stalin nog gewelddadiger zou uitwerken en dat pas tijdens de Grote vaderlandse oorlog (1941-1945) op een greintje consensus kon rekenen.

Daarna kreeg Rusland ook nog eens de Koude Oorlog op een presenteerblaadje aangereikt om op oude voet te kunnen doorgaan. Het legde een cordon sanitaire tegen het Westen in het algemeen en tegen Duitsland in het bijzonder. `Maar helaas', schrijft Hosking, `was het precies op dit moment dat cordons sanitaires hun betekenis begonnen te verliezen.' De verhouding tussen politiek en economie begon na de oorlog immers te kantelen, ten koste van de politiek en ten gunste van de economie, die zich van zulke cordons weinig aantrok.

En toen kwam Leonid Brezjnev (1906-1982), de simpele brombeer uit Kamenskoje aan de Djnepr, aan het roer van dit overspannen rijk. `Hij hield van klokken repareren en een spelletje domino. Nog meer hield hij van roken, jagen, stevig drinken, snelle auto's en van voetballen. Hij was gewoon een echte Rus', aldus Elbert Toonen, leraar geschiedenis in Heerenveen, in De glorietijd van de Russen onder L.I. Brezjnev. In dit sympathieke maar richtingloze boek, schetst Toonen de paradox waaraan partij en rijk zouden bezwijken.

Brezjnev wilde sovjet-Rusland namelijk op twee benen zetten die over elkaar struikelden. Om de macht van de partijkaders te beschermen waren ideologische experimenten om te beginnen uit den boze: liever een groter centraal comité dan een onderling conflict. De politiek die onder Lenin was begonnen om lokale machthebbers te laten meedelen in de staatsmacht in ruil voor loyaliteit werd tot zulke grote hoogte gevoerd dat ongebreideld etnisch particularisme het gevolg was. Maar tegelijkertijd besefte Brezjnev dat hij de consumptieve behoeftes van het volk nu eindelijk moest bevredigen. Er moesten televisies, ijskasten en auto's worden geproduceerd.

Dat ging niet samen. Althans, niet zonder corruptie. Die nam zo'n hoge vlucht dat het rijk er tenslotte aan bezweek. `Iedereen behandelde de staatseconomie als een gemeenschappelijke hulpbron, die men zo lang kon melken als nodig', aldus Hosking. Waarom Brezjnev, volgens Toonen, toch de wereld dacht te kunnen veroveren is een raadsel dat de auteur uit Heerenveen eerder mythologiseert dan ontrafelt. Want nog geen tien jaar na de dood van deze echte Rus was het rijk ter ziele en slonk Rusland terug binnen de grenzen van Peter de Grote. En binnen de nieuwe democratische staat was alras ook geen sprake van eenheid. De negenentachtig soevereine `subjecten' van de federatie bleken zoveel macht te hebben opgezogen dat ze zich juist als objecten konden gedragen. Moskou kon zelfs het gewelddadige separatisme van Tsjetsjeense krijgsheren en clanleiders niet meer de kop indrukken.

Toch modderde het versplinterde land door. In zijn uitmundend gedocumenteerde Russia's unfinished revolution vraagt de politicoloog Michael McFaul van Stanford zich af waarom de politieke en institutionele veranderingen in Rusland de laatste tien jaar zo snel zijn gegaan zonder dat een revolte tussenbeide kon komen. In 1990 dacht Gorbatsjov nog aan een hervorming van de communistische partij. Een jaar later bestond die partij niet meer en zat Jeltsin te paard, met een amorfe beweging achter zich. In 1993 wist Jeltsin zich op het nippertje te ontdoen van het parlement en drukte hij een grondwet door waarmee de volksvertegenwoordiging verder kon worden uitgekleed. Dat deed hij dan ook, nadat hij in 1996 met hulp van de `nieuwe rijken' in de mediasector en grondstoffenbranche zijn herverkiezing had zekergesteld. Op de laatste dag van 1999 droeg hij zijn stoel probleemloos over aan voormalig geheim agent Poetin. Al deze cruciale wendingen verliepen met een hoop tam-tam maar veranderenden de hoofdkoers niet.

Onbegrijpelijk? Nee, volgens McFaul is het niet onbegrijpelijk als we maar beter kijken naar `de individuele spelers' en de strategische context waarin hun beslissingen op elkaar inwerken. In de eerste jaren van postsovjet-Rusland stonden politieke en economische groepen lijnrecht tegenover elkaar, zonder een spoor van consensus. Maar toen de oppositie in 1993 een brug te ver ging en een staatsgreep probeerde, kon Jeltsin na de overwinning zijn eigen regels opleggen: nu meedoen in zijn systeem, of nooit meer. Dat was geen structurele ingreep, maar een persoonlijke daad. En één die werkte. McFaul is, door die grote ruimte voor persoonlijke daadkracht, hoopvol over de democratie in Rusland. `Als individuele spelers vroeger beslissingen konden nemen die onliberale instituties genereerden, dan kunnen ze in de toekomst beslissingen nemen die liberale hervormingen bevorderen'.

Dit nu is na lezing van Russia and the Russians een onbevredigende verklaring. Weliswaar is ook Hosking niet somber: voor het eerst hoeft Rusland geen grote strategische dreiging het hoofd te bieden en dus geen roofbouw te plegen op de staatskas. Bovendien hebben de sovjets een onderwijssysteem achtergelaten dat de weerbaarheid van het volk bevordert. Maar dat is allemaal wel iets anders dan dat er een liberale democratie zou komen met bijbehorende instituties. De Russische samenleving wordt nog steeds `bijeengehouden door personele banden van het patroon-cliënt-type, en door de president die een doorslaggevende grondwettelijke positie heeft'.

Nee, dan Boris Kagarlitsky. In Russia under Yeltsin and Putin kiest deze voormalige linkse dissident voor een structurele benadering zonder het toeval uit het oog te verliezen. De jaren negentig waren volgens hem nu juist niet het decennium van hervorming, laat staan van revolutie. Het waren de jaren van de restauratie, omdat er sprake was van verdergaande versterking van de elites die hun sporen al hadden verdiend onder Brezjnev en diens opvolgers. Het oude waardenpatroon werd bovendien niet vervangen door nieuwe waarden maar door westerse `verleidingen': `Voor een nieuwe Rus betekent het eerlijk opvoeden van een kind het scheppen van een dodelijke vijand in eigen huis'.

De civic society was de dupe van dat faillisement van de politiek. `Door Jeltsin te vervangen door Poetin, heeft de Russische elite zich een leider verschaft die te zwak is om een echte dictator te worden maar ook te fragiel en onervaren om de democratische kaart te spelen. De elite is niet in staat om de burgerrechten te respecteren noch om een dictatuur te vestigen. Elke dag wordt de onmacht van het bewind duidelijker'.

Op het eerste gezicht is deze conclusie onzinnig. Pas op het derde gezicht zit er een kern van waarheid in. Rond Poetin is het namelijk veel onrustiger dan het westerse oog ziet. Er is een machtsstrijd gaande tussen de `Kremlinploeg' van Jeltsin en de `nieuwe Petersburgers' die met stadgenoot Poetin naar het machtscentrum zijn gekomen. Broederlijk hebben de teams gewerkt aan een nieuwe orde: het herstel van de klassieke `verticale' machtsverhoudingen. Maar nu dat centralisme formeel is hersteld, is het Kremlin met iets anders bezig: een `herschikking' van de vrijgekomen economische belangen: peredel. Dat betekent ongeveer: zodra nieuwe machthebbers aantreden, worden alle kaarten opnieuw geschud. Nu draait het om het geprivatiseerde bedrijfsleven. Wie mag er commissaris worden bij gasbedrijf Gazprom? Wie kan er toetreden tot de directie van Aeroflot? En zo verder, helemaal naar beneden.

Wie in het politieke centrum werkt, loert daarom met één oog naar financiële kansen. De `oude Kremlinploeg' is na een decennium Jeltsin al voorzien. De `nieuwe Petersburgers' moeten nog worden bediend. Bij een aantal ondernemingen is dat inmiddels gelukt. Zo wordt het wapenexportbedrijf geleid door een man die met Poetin heeft gewerkt op de sovjetambassade in de DDR, en is de chef van de economische afdeling van diens partij toegetreden tot de directie van Aeroflot én de Koopvaardij.

Poetin volgt in deze arena na bijna drie jaar nog steeds een ingetogen koers. Dat voorkomt onnodige vijanden en levert wel vrienden op. Ware het niet dat er een mondiale recessie op gang is gekomen. Die raakt ook Rusland, juist nu de buitenlandse investeringen schoorvoetend toenemen van 3,25 tot ruim 3,5 miljard dollar (vijftien keer minder dan buitenlanders in 2000 in Nederland hebben gestoken). Maar in Moskou wordt betoogd dat deze stroom zal toenemen. Bij gebrek aan rendement zouden dollars en euro's de wijk nemen naar Rusland.

Zelfs als dat waar is, betekent dat niet automatisch dat zo'n nieuwe instroom van kapitaal de democratische civic society zal bevorderen. Nieuw geld is eerder een stimulans voor functionarissen om hun deel van de peredel zeker te stellen. Waar een ruif is, vervoegen zich nu eenmaal de dorstigen. Zolang Poetin de droge kelen van zijn eigen ploeg nog niet heeft gelest, blijft hij onder druk staan het beulswerk zelf ter hand te nemen. Dat is precies wat volgens Hosking en Kagarlisky onvermijdelijk is.

Boris Kagarlitsky: Russia under Yeltsin en Putin. Neo-liberal autocracy. Pluto Press, 303 blz. €32,99

Michael McFaul: Russia's unfinished revolution. Political change from Gorbachev to Putin. Cornell University Press, 383 blz. €35,–

Geoffrey Hosking: Russia and the Russians. A history from Rus to the Russian Federation.

Allen Lane (2001), 718 blz. €48,50

Elbert Toonen: De glorietijd van de Russen onder L.I. Brezjnev. Personalia (2001), 314 blz. €18,11