Eenheid achter façade van absurditeit

Toen onlangs in Tasmanië een octopus van een onbekende herkomst werd ontdekt moest ik meteen aan Neo Rauch denken. Op diens schilderij See (2000) zien we ook een inktvis, aan een kunstlijn, die door een man uit het water wordt getrokken. Die man is een typische Rauchiaan. Hij is gekleed in een soort jaren-vijftiguniform, zijn hoofd is te klein voor zijn lichaam: een stripvariant op de ideale arbeider uit de tijd van het communistisch sociaal-realisme. En dan zijn man en inktvis nog de `normaalste' elementen op Rauchs schilderij.

Neo Rauch (1960), die zijn expositie in het Bonnefantenmuseum te danken heeft aan zijn uitverkiezing voor The Vincent, een Europese kunstprijs ter waarde van €50.000,- houdt wel van verwarring, liefst van de postmoderne soort. Zo zien we op See ook een geiser die, gesteund door een oranje paal, een lampenkap de lucht in spuit. Daarachter zweeft een stuk boom in het zwerk en hangen er verschillende platte tekstblokjes in de lucht, die ontleent lijken aan strips, ware het niet dat er geen letter in te bekennen is. Diezelfde elementen (strips, Oostblok, vervreemding en sciencefiction) keren op al Rauchs doeken terug. Een onmogelijke combinatie, die smeekt om een verklaring.

En die zit er dus niet in.

Rauch is zo'n kunstenaar die er vooral op uit lijkt het raadsel te vergroten. Niet voor niets groeide hij de afgelopen jaren uit tot een lieveling van museumdirecteuren en critici, die uit zijn mêlee van beelden altijd wel een interessant klinkend verhaal kunnen peuren. Bovendien heeft Rauch zijn achtergrond mee. Afkomstig uit en werkzaam in Leipzig past zijn werk perfect in de Oost-Duitse traditie die wordt aangevoerd door Sigmar Polke en Gerhard Richter, de twee belangrijkste levende schilders van het moment. Zij gaven de schilderkunst decennia geleden een forse impuls door rücksichtslos met traditionele conventies te breken. Richter en vooral Polke, schilderden foto's na, combineerden mythologie en strips, gebruikten dekens en theedoeken als drager – als het werkt, is het goed, leek hun motto. Van die vrijheid heeft Rauch onmiskenbaar geprofiteerd. Maar dat verklaart nog niet waarom zijn schilderijen zo intrigerend zijn en zich niet als een postmoderne beeldensoep laten wegzetten.

Het is in ieder geval al snel duidelijk dat het zoeken naar inhoudelijke verbanden bij Rauch weinig oplevert. Dat blijkt vooral op de kleine nevententoonstelling die het Bonnefanten op de derde verdieping van het museum liet inrichten. Daar toont Rauch een selectie uit zijn favoriete strips: Blake en Mortimer van Edgar Jacobs, Mosaik van Hannes Hegen en Eightball van Daniel Clowes. Een mooi overzicht, met pagina's in verschillende stadia van ontwikkeling en uitgebreide selecties uit het werk. Het is alleen veel te eenzijdig als toelichting op het werk van Rauch. Daarvoor was een selectie van postmoderne schilderijkunst even gepast geweest, net zo goed als een expositie van sociaal-realistische fabrieksarbeiderkunst, of de verzamelde afleveringen van Star Wars en Dr. Who.

Wie echter langer over Rauchs tentoonstelling loopt beseft ook dat de kracht van zijn werk niet in die veelheid zit. Veel opmerkelijker is dat Rauch in zijn doeken, ondanks de vele invloeden en associaties, een onmiskenbaar gevoel van eenheid weet te bewaren. Zoals bij iedere goede kunstenaar ziet zijn werk eruit alsof het niet anders kan, of die stripfiguren, vliegtuighangars en communistische clichés precies zo gecombineerd moesten worden om een overtuigend schilderij te worden.

Pas op dat moment valt op hoe groot de invloed is van Sigmar Polke. Zoals Polke de prachtigste schilderijen maakt door dekens en doeken met sprookjesachtige motieven te beschilderen, weet Rauch Oost-Europees behang, uniforme kleding en kale wanden van schuren of hangars tot bijna abstracte composities te verweven. Dat is ook zijn grote kracht: met vreemde beelden lokt hij de toeschouwer zijn schilderijen in, vervolgens houdt hij ze vast door die beelden te gebruiken als waren het abstracte, betekenisloze vormen. Niet voor niets kunnen de mensen op een Rauch-doek wel drie formaten hebben en duiken bomen, pluizen en kussens op op de meest vreemde plekken. Bij Rauchs zit het formalisme verborgen achter een façade van absurditeit. Dat het juist die façade is die hem tot een critics darling heeft gemaakt zij Rauch gegund. Het is de formele kracht die zijn werken onontkoombaar maakt.

Tentoonstelling: Neo Rauch, The Vincent 2002. T/m 6 oktober in het Bonnefantenmuseum, Avenue Ceramique 250, Maastricht. Di t/m zo 11-17u. Inl. www.bonnefanten.nl