Een levenslustig type

,,Wat vindt u er nou van, meneer Mulisch, dat iedereen u met zoveel ontzag behandelt?' wilde interviewer Jeroen Pauw vorige week in een televisieprogramma weten van de man die in Duitsland Der Zauberer wordt genoemd. De vijfenzeventigjarige wist weinig raad met de vraag en begon dadelijk over de vele mensen die zijn bloed wel zouden kunnen drinken. Die laten de laatste jaren echter nog maar weinig van zich horen; waarschijnlijk hebben ze hun belangstelling voor de polemiek om Mulisch verloren. In de bundel Mulisch toegesproken schemert het bestaan van Mulisch' vijanden slechts af en toe door – bijvoorbeeld in de citaten die Freddy Decreus geeft uit de gemene besprekingen van Mulisch' toneelstuk Oidipous Oidipous uit 1971.

Verder is Mulisch toegesproken – dat vorige week verscheen ter ere van de vijfenzeventigste verjaardag van de auteur – een boek dat vooral van bewondering getuigt. Enige polemiek schuilt nog in de toespraak die de Amsterdamse burgemeester Job Cohen – die de speech niet in zijn eentje schreef, al wordt het bestaan van de (co-)auteur niet vermeld – hield bij de presentatie van de roman Siegfried: `U maakt mij niet wijs dat ú Adolf Hitler begrijpt'.

Verder gaat een groot deel van de 176 bladzijden van het boek op aan de praatjes die werden gehouden bij de viering van Mulisch' vorige lustrum – alsof de voornaamste verdienste van Mulisch bestaat uit het regelmatig vieren van zijn verjaardag. Als praatjes op een feestelijke bijeenkomst waren ze wellicht amusant, maar waarom ze na vijf jaar in druk moeten verschijnen? Neem Hedy d'Ancona over Twee vrouwen: `Maar wát echt storend was [uit radicaal feministisch standpunt], was dat de gevoelens van vrouwen, van vrouwen zelf, huiveringwekkend herkenbaar aan het papier waren toevertrouwd.' Of Ruud Lubbers, die de anekdote vertelt dat hij Helmut Kohl een vertaling van De Aanslag cadeau deed om de toen net aangetreden bondskanselier duidelijk te maken waarom de Drie van Breda niet konden worden vrijgelaten.

Het spiegelbeeld van deze tafelredes wordt gevormd door een aantal studieuze bijdragen aan de bundel, zoals `Harry Mulisch en zijn Oidipous Oidipous' (Freddy Decreus), `Harry Mulisch en de onzichtbaarheid' (Liesbeth Eugelink) en `Twee vrouwen en de Orpheus-mythe' (Rudi van der Paardt) waarin vooral de metaliteraire en metafysische elementen in Mulisch' werk worden behandeld. Dat gebeurt echter met zoveel omzichtigheid en ontzag dat de vrijetijdslezer er even weinig aan heeft als aan de gezellige verjaardagspraatjes (`Ik leg hier de nadruk op het androgyne karakter van de hoofdpersonen niet om een feministische interpretatie van de roman te desavoueren, maar omdat die androgynie nu juist wel zinvol verbonden kan worden met wat Van Buuren `klassieke topoi' noemt, in een leeswijze van Twee vrouwen die ook aan de `significant names' der hoofdpersonen alle recht doet', Van der Paardt).

Zo wordt de grote Mulisch dus meestal toegesproken: met genoeglijk gebabbel op de rand van meligheid of in kurkdroog intellectualisme waar geen greintje speelsheid in te ontdekken valt. Beide houdingen zijn ongetwijfeld ingegeven door oprechte bewondering, maar doen Mulisch geen recht. Want zoals Piet Meeuse in zijn bijdrage – een van de betere – terecht signaleert, Mulisch onderscheidt zich positief van andere schrijvers `die zich op de een of andere manier met de ervaring van het sublieme bezighouden en niet zelden aan hun loodzware ernst ten onder gaan'. Dat is trouwens ook een belangrijke reden voor het grote succes van Mulisch.

Het vermogen van Mulisch om zich met jongensachtig enthousiasme op de metafysica te storten, blijkt ook weer uit Vonk, het tweede boekje dat is verschenen ter opluistering van de verjaardag. Dit aardigheidje heet een `kiem' van De ontdekking van de hemel te zijn: een nu dertig jaar oud kort verhaal waarin een engel zich richt tot een `vonk' die op het punt staat naar de wereld te vertrekken om daar een menselijke gedaante aan te nemen. Een engel als vertelperspectief verbindt het inderdaad met De ontdekking van de hemel, evenals de nadruk op voorbestemming. Dat Mulisch er verder geen raad mee wist en het idee vlot weer terzijde schoof, wekt geen verwondering: een serieus thema dient zich in de 33 bladzijden geschreven tekst nog niet aan.

Maar Vonk is een aardig probeersel, verteld dus door een engel in wiens woorden Mulisch' verhouding tot het schrijverschap doorklinkt (`Luister eens, ik heb de wereld niet gemaakt, ik verzorg alleen de formaliteiten en de doorstroming'), met een herhaalde observatie van Amsterdam als oestervormige stad en een portret van een uiterlijk op Harry Mulisch gelijkende architect (`Persoonlijk vind ik dat hij er nog goed uitziet: lang, slank, interessant grijzend aan de slapen – net iemand uit een verhaal'), die de nacht doorbrengt met twee vrouwen tegelijk: `Zij is namelijk niet de eerste in wier tweede mond hij zijn tweede neus zal steken [...] Hij is een levenslustig type'.

Dat het levenslustige type Mulisch ons nog meer te bieden heeft dan een volgend verjaardagsfeestje, is ook niet uitgesloten. Want in het televisie-interview gaf Mulisch ook aan dat hij zich, zij het vooralsnog voorzichtig, aan het schrijven van een nieuw boek heeft gezet.

Harry Mulisch: Vonk.

De Bezige Bij, 48 blz. €8,50

Mulisch toegesproken.

De Bezige Bij, 176 blz. €15,–