Een droever en een wijzer man

In een serie over vertaalde klassieken deze week `De ballade van de oude zeeman' van Samuel Taylor Coleridge en `De ballade van Reading Gaol.' van Oscar Wilde

(Vertaling W. Blok. Inleiding Wim Tigges.

Athenaeum – Polak & Van Gennep.156 blz. euro 20,50)

Dit is het begin van een oud Engels gedicht: `It is an ancient Mariner, – And he stoppeth one of three.' Het lijkt wel middeleeuws Engels, en daar moet het ook op lijken, al werd het veel later geschreven: in 1798, door Samuel Taylor Coleridge, in The Rime of the Ancient Mariner. Daarin dient zich een oude zeeman aan, met een ruige baard, benige handen en een scherpe blik. `He stoppeth one of three': van een groepje van drie bruiloftsgangers houdt hij er een staande. Die probeert zich eerst nog van hem los te maken: `By thy long grey beard and glittering eye, – Now wherefore stopp'st thou me?' Maar de zeeman slaagt erin hem te laten luisteren naar het vreemde, angstaanjagende en tot nadenken stemmende verhaal van zijn omzwervingen. Ruim zeshonderd versregels.

Herinnert men zich dit begin niet meer, dan meestal wel de passage waarin de zeeman zomaar besluit zijn kruisboog te richten op een met het schip mee vliegende vogel: de albatros waarvan de bemanning meent dat hij het uit koers geraakte schip weer naar bevaarbare wateren heeft geleid. In één keer haalt de zeeman de albatros neer, en daarmee roept hij een eeuwige vloek over zichzelf en zijn schip af. Of men herinnert zich het eindeloze zwalken in de brandende zon over de eindeloze wateren, en de wanhoopskreet: `Water, water, every where, – Nor any drop to drink.' Of anders wel het einde, als de zeeman zijn verhaal heeft gedaan en de bruiloftsgast in verwarring heeft achtergelaten. Die zal daarna nooit meer dezelfde zijn: `A sadder and a wiser man, – he rose the morrow morn.' Of: `een droever en een wijzer man – is 's morgens opgestaan', zoals het slot luidt in de nieuwe vertaling van W. Blok.

Tussen de eerste en de laatste regel speelt zich een een merkwaardige geschiedenis af, niet eenvoudig om na te vertellen en nog moeilijker om te duiden. Ook de geleerden zijn het er niet over eens, zo maakt Wim Tigges duidelijk in zijn inleiding bij de ballade. Wat heeft de bruiloftsgast, als hij de volgende dag sadder and wiser opstaat, precies voor wijsheid geleerd? Dat we in het vervolg meer eerbied moeten tonen voor albatrossen? Dat de wereld vol wonderen en onzichtbare wonderwezens zit, waaronder allerlei demonen, Pool-geesten en middenlucht-bewoners? Dat de mens met al zijn inbreuken op de natuur onbeheersbare krachten losmaakt? Dat Gods hand zich niet altijd even goed laat herkennen, maar dat het toch zaak is te blijven bidden? Of dat er juist geen God is, en ook geen moraal? Tigges laat zien dat er in de loop der tijden op heel verschillende manieren naar deze ballade is gekeken. Zij kan gelezen worden als een geval van romantische verbeelding met huiver- en schokeffecten, maar ook als een louter symbolische verhandeling over de menselijke ziel. De kracht van het gedicht zou voor de hedendaagse lezer juist wel eens gelegen kunnen zijn in `de meerduidigheid ervan', zo veronderstelt Tigges. Dat lijkt mij ook meteen een mooie manier om te zeggen dat er meer aan te interpreteren dan van te genieten valt. De ballade is nog steeds een ritmisch soepel en vlot rijmend gedicht, maar inhoudelijk is het een merkwaardig, typisch romantisch en ook wel enigszins gedateerd geval. De nieuwe vertaling zal vermoedelijk niet heel veel nieuwe liefhebbers opleveren. Rijm en ritme van het origineel zijn zoveel mogelijk nagevolgd, maar verder lijken mij de toon, de dictie en de woordkeus toch iets te veel verouderd. Alree, alzijds, de dis, het haf, een luwt, de manschap, saam, elkeen – dat zijn zo enkele van de oude woorden. En daarmee worden hier oude zinnen gemaakt: `Maar dra woei mij een briesje aan', `en iedere ziel toog langs mij heen', `schoon over de kil nog ver een echo klonk'. Vreemd verschijnsel: alsof je niet een nieuwe vertaling, maar een herdruk van een oude leest.

De ballade van de oude zeeman is hier in één boek opgenomen met een honderd jaar jongere, al even beroemde Engelse ballade: De ballade van Reading Gaol (1898) van Oscar Wilde. Ook vertaald door W. Blok, ook ingeleid door Wim Tigges. Horen ze bij elkaar? Niet per se, maar er zijn enkele overeenkomsten. Ook de ballade over de gevangenis van Reading is een lang verhalend gedicht, met een vernuftige rijmstructuur, met vergelijkbare abstracties her en der – en enkele gevleugelde regels, waarvan deze wel de bekendste is: `Yet each man kills the thing he loves'. In de ook hier wat ouderwets klinkende vertaling van Blok: `Toch, elkeen doodt wat hij bemint'.

Wilde's ballade zingt langzaam toe naar de ophanging van Charles Thomas Wooldridge, op 7 juli 1896, in de gevangenis van Reading. Hij doodde wat hij beminde: zijn vrouw. De terechtstelling maakte grote indruk op Wilde, die toen in Reading zijn twee jaar gevangenisstraf (wegens homoseksuele praktijken) moest uitzitten. Wilde vereenzelvigde zich sterk met de ter dood veroordeelde en lijkt diens misdaad bijna goed te willen praten – zozeer voelt hij zich mede-slachtoffer, ook van de onmenselijke behandeling in de gevangenissen toen. Dat maakt de ballade van Wilde levendiger en ook ontroerender dan de ballade van Coleridge, die dan technisch weer wat knapper is. Wilde kwam gebroken uit de gevangenis, en dat valt aan zijn aanklacht af te lezen. `And thus we rust Life's iron chain / Degraded and alone.' Op zijn Bloks: `Zo roest elks Levensketting weg, vernederd en alleen.' Het succes was groot, maar na de ballade zou Wilde niets meer schrijven. Twee jaar later overleed hij, in Parijs. Sadder and wiser.