De trombone

Een pistool, een munt of een trombone zijn rekwisieten die de toon van een leven kunnen bepalen. K. Schippers liet zich erdoor inspireren tot een zomerserie voor het Cultureel Supplement. Vandaag deel 3.

Het verhaal `Toonkunst' van F.B. Hotz, in de bundel Eb en vloed (1987), begint zo: ,,Toen ik Miff Mole trombone had horen spelen met Red Nichols' avant-gardegroep – op de plaat natuurlijk – wilde ik nog maar één ding in m'n leven: musicus worden. Al zou ik er dood aan gaan.''

De platen waar Hotz 't over heeft, met Mole, de trompettist Nichols en wisselende medespelers, werden in het voorjaar van 1927 gemaakt. Hij zegt niet wanneer hij Mole voor 't eerst hoorde, wellicht al jong, jaren voor de oorlog.

Hotz werd in 1922 geboren. Hij kocht z'n eerste trombone in de zomer van '42, in Leiden, `de stad dicht bij mijn woonplaats.' Hij moet toen twintig zijn geweest, maar hij schrijft `ik was achttien.' Misschien beviel die klank hem beter.

In het verhaal krijgt Hotz les van Lodewijk Schweitzer, `de eerste trombonist van het Residentie Orkest.' Hij steekt er veel van op, al geeft Schweitzer niets om Mole en de andere door z'n leerling bewonderde trombonisten uit de jaren twintig.

In de mooiste scène zie je de oudere en de jonge man met hun instrumenten bij elkaar zitten. Het is februari. Bij het spelen hebben ze hun jassen aan. Hotz zegt het niet letterlijk, hij geeft aan dat z'n leermeester wordt opgepakt.

Het verhaal moet verder maar niet worden verteld. In `Over Tobias', een beschouwing uit 1995 over de schrijver J. van Oudshoorn, geeft Hotz zijn eigen geloofsbrieven af.

,,Niet het gegeven, de strekking of invalshoek maken het meedelen tot schrijven, het zijn de gekozen woorden, hun rangschikking, en het vervangen van ongewone woorden door gewone.''

In `Toonkunst' zoekt hij platen van Mole in tweedehands winkeltjes. ,,In de Burchtsteeg was er een; het rook er naar koud eboniet, een koningsgeur.''

Hij ziet z'n leermeester lopen. ,,Eén ding bleef ergerlijk: hij sjokte de stad door met z'n trombone-etui achterstevoren.''

Over de oorlog praat hij niet met Schweitzer. ,,Zijn kamer in het gebouw aan het Rapenburg was onaantastbaar neutraal gebied, al trilden de ruiten soms van het afweergeschut.'

Er zit iets in elk verhaal van Hotz dat buiten de hoofdlijn omgaat, iets bijkomstigs, je kunt het niet betrappen. Misschien hoor je er iets van in sommige namen, het vliegtuig de Uiver of het luchtschip de Graf Zeppelin.

Of neem Heck, 't cafetaria klinkt als een korte, droge kuch. In dat geluid zit alle huzarensla ter wereld, compleet met het ribbelige kartonnen bordje, waarvan je in de automatiek soms per ongeluk een hap nam.

,,Bij Heck was het warm en druk'', zo staat het in `Duistere jaren'. Kinderen eten gebakken aardappels, ,,een podium was omlijst door brede golvend geperste houtplaten in de tint van pistache-ijs.''

In `De vertegenwoordigers' rijdt de jonge held met z'n vader naar Utrecht. Bij Heck eten ze een paar broodjes. ,,Het was hier warm en vol, en het stond blauw van de rook.''

Met dit soort locaties weeft Hotz de jaren twintig, dertig in z'n verhalen, met een enkel woord, en wat nog belangrijker is, 't klinkt door.

Hij doet 't zelfde met auto's, Chevrolet, Auburn, Voisin, Studebaker, Hotchkiss. In `Thomas en de scheppende evolutie' draait een Maxwell Rochester ,,met de kap op voor de avondzeelucht de donkere Nieuwe Parklaan op, waar de koplampen gruwelschijnsels wierpen op het zwaar overhangende bomengroen''.

Hotz woonde z'n hele leven in de kuststrook tussen Haarlem en Oegstgeest. Tot in de jaren vijftig reed daar de blauwe tram, de Boedapester, je ziet hem bij Hotz in elk seizoen. 's Winters, in `Werkweek', met een pekelwagen tegen de sneeuw, `de bomen waren stug verijsd en kraakten af en toe'.

En je hoort de blauwe in `De opdracht', ,,hij daverde over het bochtige tracé en schoot zo dicht langs takken en blinde muren dat haren opwoeien en ogen knipperden door de snel wisselende windval bij de open balkondeuren''.

En dan het licht, je ziet het aan de rand van het bos, in de duinen, op warm zand, in een buitenhuis met open veranda, enigszins bedekt, het jubelt nooit. Het licht op de weg tussen Oegstgeest en Leiden, de jongen heeft er heimwee naar, als hij met z'n ouders en zus naar Haarlem-Noord is verhuisd.

De weg met z'n dubbel tramspoor, z'n fietspaden en trottoirs. De jongen herinnert zich het verschillend groen, van bomen, oprijlanen, heggen, voortuinen en weiden. ,,De wiskundige strakke en glanzende rails'', die vond hij het mooist. 't Licht, zelfs daar. Dat is wat je aan Hotz overhoudt, je koppelt het niet eens aan een verhaal, het getemperde zonlicht, dat nog altijd in de duinstreek hangt. Maar de kern van z'n werk, dat is het niet, net zo min als Heck of de Maxwell Rochester.

Irving Milfred Mole (1898-1961) speelde in New York bij de The Original Memphis Five, nog voor de eerste jazz van King Oliver in 1923 werd opgenomen. Er wordt gezegd dat Mole z'n instrument losmaakte uit het gemeenschappelijke spel van trompet, klarinet en trombone. Dat hij liet horen wat je er mee kon doen, als je niet altijd op je medespelers lette.

Op de platen uit 1927 hoor je hoe verschillend Nichols en Mole spelen. De trompet improviseert wel, maar in een vloeiende lijn, ongeveer zoals Bart van der Leck nooit helemaal voor de abstractie van de Stijl durfde te kiezen.

Bij de trombone hoor je iets anders. In nummers als `Hurricane' en `Delirium' verlaat Mole z'n motief, hij breekt het af, keert er naar terug, verlaat het weer, geen vloeiende zin, maar een stokkend ritme.

,,Er was een suggestie van ijlheid'', schrijft Hotz in `De ontbijtzaal.' In `De envelop' ziet hij op het gezicht van z'n moeder `een gekozen expressie van verdriet'. Even verder rijdt hij met z'n vader naar een duinvilla, `het rook er gematigd naar wit linnen'.

In `Tekens' uit Dood weermiddel (1976) zegt Hotz dat hij in 1934, toen hij twaalf was, van een oom een koffergrammofoon kreeg. 't Aroma van eboniet, hij pakte een plaat, toen die nieuw was had hij al bestaan. Hij luisterde naar Paul Whiteman en Isham Jones, `paradijsachtige muziek, een tederheid bijna ireëel voor blaasinstrumenten'.

Miff Mole moet hij niet veel later hebben gehoord. Die klank heeft zich in hem vastgezet. Heck, de Maxwell Rochester en ook het licht bij de duinen, daaronder hoor je de ontsporing van de trombone, de linkerhand van alles wat hij heeft geschreven.

Volgende week: het bankbiljet