`De tijd heelt niet alle wonden'

Moet de tijd alle wonden na een moordzaak helen, of moeten er oude wonden worden opengereten als decennia later nieuw bewijsmateriaal opduikt? Daarover is in politieke en juridische kring een debat ontstaan.

Strafrechtdeskundigen zijn sceptisch over een initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Dittrich (D66) en Rietkerk (CDA) om de verjaringstermijnen voor moord en doodslag af te schaffen. Volgens hen moet er niet getornd worden aan die termijnen. ,,De verjaringstermijnen zijn er niet zomaar. Ze zijn er omdat hoe langer een zaak in de ijskast ligt, des te moeilijker het wordt de schuld te bewijzen'', stelden hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit van Amsterdam, P.J. van Koppen en M. Malsch, rechter-plaatsvervanger in Haarlem.

Intussen is ook het ministerie van Justitie al een half jaar bezig met het voorbereiden van een wetsvoorstel betreffende de verjaringstermijnen. Dit wijkt echter af van de principiële wensen van Dittrich en Rietkerk om de verjaring helemaal af te schaffen. ,,We willen de verjaringstermijnen oprekken en niet afschaffen, want dat lijkt ons onnodig'', aldus een woordvoerder van het ministerie.

De verjaringstermijn voor moord is thans achttien jaar en die van doodslag vijftien jaar. De vorige minister van Justitie, B. Korthals (VVD), wilde de termijnen oprekken van minimaal dertig tot maximaal zestig jaar voor delicten waar levenslang voor staan, zoals moord. De termijn voor doodslag wil het ministerie oprekken van minimaal twintig tot maximaal veertig jaar. Naar verwachting zal Korthals' opvolger Donner dit voorstel in september aan de ministerraad voorleggen.

Al in de negentiende eeuw is verjaring opgenomen in het Nederlandse strafrecht. In het Wetboek van Strafvordering van 1838 en het Wetboek van Strafrecht van 1881 voerde de regering een aantal argumenten aan die te maken hadden met de ,,uitwissende werking van tijd''. Zo werd gesteld dat er na lang verloop van tijd in de samenleving steeds minder behoefte was om de dader een straf opgelegd te zien krijgen. Ook werd er gewezen op bewijsproblemen na een lange tijd. Een derde argument was dat een dader die niet berecht is, lange tijd moet vluchten en met een slecht geweten verder moet leven.

Dittrich en Rietkerk vinden de verjaring ,,principieel onjuist''. Ze zeggen dat ,,de tijd niet alle sporen uitwist''. Volgens hen blijven de nabestaanden van het slachtoffer van moord en doodslag met een groot verdriet achter, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn. ,,De psychische wond heelt nooit helemaal en mensen kunnen op latere leeftijd alsnog met traumatische gevolgen geconfronteerd worden'', zegt Dittrich. Ook denken ze dat de samenleving niet zo snel vergeet. ,,Zeker in situaties waarin de dader onbekend is gebleven en het misdrijf niet is opgehelderd, houdt de ontrafeling van het mysterie de gemoederen bezig'', zegt Rietkerk. Ook merken de Kamerleden dat de maatschappelijke verontwaardiging groot is als de dader wordt opgespoord, maar niet kan worden vervolgd wegens de verjaring van het misdrijf.

Naast deze argumenten voeren beide Kamerleden de ontwikkelingen van de moderne opsporingsmethoden aan. ,,Met het gebruik van DNA-materiaal in het straf- en strafprocesrecht heeft een revolutie in mogelijkheden van het bewijsrecht plaatsgevonden'', vinden Rietkerk en Dittrich, want door ,,een haar, een druppel bloed of sperma of zelfs een huidschilfer op het lichaam van het slachtoffer kan de eigenaar daarvan met het misdrijf worden verbonden.''

Van Koppen en Malsch, beide ook onderzoekers bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) zijn het hier helemaal niet mee eens. ,,DNA-materiaal levert helemaal geen sterk bewijsmateriaal'', vindt Van Koppen. Volgens de hoogleraar bewijst een haar van de verdachte op het plaats delict niet de schuld van een verdachte. ,,Daarmee wordt uitsluitend bewezen dat het gevonden lichaamsmateriaal afkomstig is van de verdachte.''

De juridische literatuur bekijkt de zaak vooral vanuit de strikt juridische, de menselijke en de pragmatische invalshoek. Tegenover de samenleving als geheel is het humaan om na verloop van tijd een streep onder de zaak te zetten, luidt bij voorbeeld een menselijk én pragmatisch argument.

Politie en justitie zouden oude zaken moeten laten rusten om hun aandacht aan recentere misdrijven te besteden. Ook staat het belang van de dader meer centraal. De rust in het gezin van de dader zou te zeer verstoord worden als vervolging na afloop van de verjaringstermijn mogelijk zou worden. Bovendien vinden deskundigen dat misdadigers die niet recidiveren, hun leven hebben gebeterd.

Volgens Malsch is het vaststellen van schuld of onschuld ,,slechts'' een onderdeel van het strafproces. Een verdachte kan ook hebben gehandeld uit noodweer en daarom niet voor straf in aanmerking komen, verklaart Malsch. Bovendien vindt de deskundige dat het ondoenlijk is om van een verdachte na twintig jaar nog te vergen zijn onschuld aannemelijk te maken.

In de meeste West-Europese landen geldt voor moord geen verjaringstermijn, een overweging die ook voor Dittrich en Rietkerk een rol heeft gespeeld. Het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Oostenrijk kennen geen verjaringstermijn voor moord. Frankrijk kent wel een verjaringstermijn, maar daarop kunnen betrekkelijk makkelijk uitzonderingen worden gemaakt.