De strijd tegen het vleesch

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat seksueel kindermisbruik door katholieke priesters een recente Amerikaanse uitvinding is. Een kerk die van haar voorgangers eist dat zij hun seksualiteit onderdrukken, lijkt te vragen om moeilijkheden.

Concrete verwijzingen naar seksueel misbruik kom je – afgezien van wat antipapistische getuigenissen – weinig tegen in de geschiedschrijving. Nog zeldzamer is dat iemand uit het volk opstaat om tegen dat soort praktijken te protesteren. Toch is dat precies wat Boukje Bon-Tunteler begin jaren dertig van de vorige eeuw in Amsterdam deed. Samen met haar echtgenoot Gerardus Bon en hun kostganger Johannes Link, bracht zij in die dagen boekjes over seksueel misbruik door rooms-katholieke geestelijken aan de man. Haar `schandaalcolportage' ligt vast in een omvangrijk politiedossier, dat zich nu in het gemeentearchief in Amsterdam bevindt.

Boukje Tunteler werd in 1892 geboren in Groningen, en vestigde zich op latere leeftijd als naaister in Amsterdam. Daar ontmoette zij ook Gerardus Bon, een fabrieksarbeider, met wie zij zou trouwen. In de dagen van haar `schandaalcolportage' woonde ze in de Jordaan, waar ze haar boekjes voor haar ramen had uitgestald.

Boukje had het vooral voorzien op de geestelijken van de Posthoorn, een rooms-katholieke kerk aan de Amsterdamse Haarlemmerstraat. Zij placht daar zwaaiend met haar boekjes opstootjes te veroorzaken, terwijl ze schreeuwde: ,,Wat heeft de kapelaan van de Posthoorn met de kindertjes van de Sint Antoniaschool gedaan?''

Een van de door haar geschreven boekjes droeg de weidse titel De Zedelijkheid der Roomsche Kerk, Getoetst aan de Moedercursus van Pastoor Notten en De Homosexueele Handelingen in het Capucijnen Klooster aan den Zeeweg IJmuiden (Oost).' Andere publicaties waarmee zij onder de arm liep, kwamen uit de pen van een zekere Broekhuizen uit Den Haag. Hij schreef onder meer een boekje met de – in het licht van de actuele gebeurtenissen – nogal omineuze titel Van het Roomse front geen nieuws.

Al Boukjes publicaties hebben dezelfde strekking: de Roomse kerk heeft de macht overgenomen in Nederland en het Roomsche kind staat in katholieke instellingen bloot aan fysieke dwang, slaag, ondervoeding, en...seksueel misbruik. De in haar titel vermelde moedercursus van Pastoor Notten bestond uit helder gestelde richtlijnen voor het rooms-katholieke huwelijksbed, en waarschuwingen tegen ,,hun plicht vergeten mannen'' die zelfs jongens niet met rust lieten en de mededeling dat zij `sodomieters' werden genoemd.

Boukje vond het zeer ongepast dat Pater Notten over dit soort zaken `leeraarde' aan jonge vrouwen en zag in een tot drie keer toe herhaalde passage over `zaadoverstorting' in het geslachtsdeel van de vrouw, een uiting van de obsessies waaraan deze tot `ongehuwde staat gedoemde man' onderhevig moest zijn. ,,Wij willen hierbij even aanmerken'', voegde ze er met vooruitziende blik aan toe, ,,dat het er voor de Roomsche Kerk slecht uitziet, en vooral de Roomsche Opvoeding- en Voogdijgestichten, met hun tal van homo-sexueele broeders, als dit waarheid wordt. Want homo-sexueel is de grootste zonde der Roomsche Priesterschaar. De jongens die zij in hun macht hebben worden op de gemeenste manier aan deze zonde geofferd.'' Het verhaal over het klooster in IJmuiden (oost), sloeg op een broeder die ,,van de knuf was''. De broeder had lief gekeken naar een werkeloos zeeman die in het klooster regelmatig de maaltijd gebruikte en had per se gewild dat de ontvanger van zijn liefdesgaven een nieuwe door het klooster verschafte onderbroek in zijn bijzijn paste.

Boukje moet over aanzienlijke oratorische talenten hebben beschikt. De Amstelbode, een katholiek dagblad, beschreef in april 1932 hoe Boukjes volgelingen tijdens een van haar voordrachten instemmend stampvoetten, met de tanden knarsten en luidkeels lachten. Boukje was duidelijk een natuurtalent waar het op religieuze agitatie aankwam. Als zij in de buurt was, durfden de geestelijken van de Posthoornkerk op de Haarlemmerstraat en de nonnen van de nabijgelegen Sint-Antoniaschool nauwelijks de straat op. Ze bezocht katholieke buurten en colporteerde op de Nieuwedijk voor winkels van katholieken, zoals C&A;.

Haar provocaties leidden er geregeld toe dat ze ontzet moest worden door de politie, al liet het katholieke volksdeel de tegenactie gewoonlijk over aan zijn (rijke) kinderschaar. In Amsterdam-Noord werd in de zomer van 1932 het politiebureau belaagd waar Boukje en haar helpers uit veiligheidsoverwegingen naartoe waren gebracht. Zo'n vijfhonderd tierende kinderen hadden zich voor het bureau verzameld om de provocateur mores te leren.

Af en toe overschreden Boukjes uitlatingen de grenzen van de strafwet. Na een reeks van incidenten werd haar colportage begeleid door agenten in burger, die moesten voorkomen dat toeschouwers haar werk hinderden. Ook dienden zij in te grijpen als Boukje of een van haar trawanten strafwaardige beledigingen uitten.

Boukjes reli-agiprop zette zich voort tot in de rechtszaal. Eind 1932 diende de kapelaan van de Posthoorn een klacht in wegens een opmerking over aanranding van meisjes die zij hem in het passeren op de Haarlemmerstraat luidkeels zou hebben toegevoegd. Voor de rechtbank werd het een waar pandemonium: nadat Boukje zowel de officier van justitie als de rechter ervan had beschuldigd in dienst van Rome te staan, werd ze de rechtszaal uitgezet. Ze moest na hoger beroep zes weken brommen wegens smaad.

Wat bewoog deze vrouw? Was Boukje als kind misschien zélf het slachtoffer geweest van seksueel misbruik? Het is niet zo'n vreemde gedachte omdat zij naar verluidt katholiek geboren was. Toch maakte Boukje nooit melding van persoonlijke ervaringen in haar brochures, noch in de boze brieven over katholieke usurpaties die aan Amsterdamse vroede vaderen deed toekomen.

Vaststaat wel dat zij een sektarische geest had en voor geen kleintje vervaard was. Een nationaal-socialistische voorman, die haar in die tijd had ingehuurd voor colportage en tijdens de rechtszaak optrad als karaktergetuige, gaf hoog op van haar `Kenau Hasselaar mentaliteit'. De officier van justitie hield het bij ,,lust naar geldelijk gewin''. De sensatie die Boukje met haar colportage veroorzaakte, zo merkte hij op, kwam vooral de verkoop van haar boekjes ten goede.

Dat ook een leven in dienst van de strijd tegen het vleesch kan blootstaan aan verlokkingen bewees Boukje toen zij in 1934 haar echtgenoot Gerardus Bon inruilde voor de tien jaar jongere commensaal Johannes Link. Met hem vond zij ook een andere roeping: het nationaal-socialisme. Al voor de oorlog kwam Boukje regelmatig in aanraking met politie en justitie wegens haar luidruchtig uitgebazuinde nazi-sympathieën. Pas met haar dood, in 1964, zou het weer echt stil worden op de Amsterdamse Haarlemmerstraat.