De stadswal is de horizon

Tussen het puin dat het beleg van de Spanjaarden had achtergelaten, groeide er in zeventiende-eeuws Haarlem een nieuwe eenheid. Solidariteit met de stad werd de maat der dingen.

In 1576 legde een felle brand een groot deel van Haarlem in de as: een zware klap voor een stad die drie jaar eerder, tijdens het beleg en na de overgave aan de Spanjaarden, al de nodige rampspoed te verduren had gehad. Mocht met Alkmaar in 1573 de victorie zijn begonnen, de Haarlemmers zouden tot 1577 moeten wachten voordat ze de laatste Spanjaard op de rug konden zien.

Na 1577 kende Haarlem nog vier jaar godsdienstvrede, waarna het zogenoemde Satisfactieverdrag, dat die vrede bezegelde, werd opgeheven. Alleen de gereformeerde religie mocht nog openlijk worden gepraktiseerd. Alle andere geloven werden tot afzondering gedwongen. De enige godsdienst van weleer, de katholieke, raakte haar kerken, kloosters en bezittingen kwijt. Godsdienstig bleef de stad verdeeld. Ze kreeg verder een groeiende stroom immigranten te verwerken, op de vlucht voor de oorlog in Brabant en Vlaanderen, en die zochten werk en onderdak. Ook dat leidde tot spanningen. Tot deze `allochtonen' behoorde de schilder Frans Hals, die zich als klein jongetje met zijn familie vanuit Antwerpen in Haarlem had gevestigd.

In Eenheid en verscheidenheid beschrijft Gabrielle Dorren hoe het Hals en vele van zijn minder bekende stadgenoten verging als burgers van een verdeelde maar tot samenleven genoodzaakte gemeenschap. Haar boek bestrijkt wat men `de lange Gouden Eeuw' zou kunnen noemen: vanaf de jaren tachtig van de zestiende tot in het begin van de achttiende eeuw. Meer dan in verandering en ontwikkeling is Dorren geïnteresseerd in de constanten van het samenleven in de stad, in de structuren en organisaties die de gemeenschap bijeenhielden en onvermijdelijke conflicten moesten beslechten: het gezin, de buurt, het ambacht, de kerk, de schutterij en de rederijkerskamer.

Met een welversneden pen trekt ze tussen de details uit haar bronnenmateriaal de lijnen van een groter verhaal. Uitgangspunt daarvan is doorgaans de individuele gebeurtenis, het voorval met, maar meer nog tussen stadsbewoners, opgetekend in een rekest, een getuigenverklaring, een gerechtelijke of bestuurlijke uitspraak, een kerkenraadsverslag. Dat van bakker Dirk Limming bijvoorbeeld. Hij was dertien jaar knecht geweest in Amsterdam en zeven jaar in Haarlem toen hij trouwde met de weduwe van zijn meester. Dirk ambieerde het meesterschap, dat hem echter door het bakkersgilde werd geweigerd. Hij zou niet lang genoeg in de stad hebben gewoond. Daarop ging hij in beroep bij het stadsbestuur. Hij voerde aan poorter te zijn en altijd trouw zijn schuttersplicht te hebben vervuld. De magistraat besliste in zijn voordeel: hij werd alsnog meester.

Inburgering

Het geval maakt veel duidelijk. In de eerste plaats dat gilden de stedelijke arbeids- en afzetmarkt tegen `vreemde', niet-Haarlemse werkkrachten en producten trachtten te beschermen. Maar ook dat de overheid veel gewicht toekende aan blijken van inburgering als poorterschap en schuttersdienst. De laatste gold als burgerplicht bij uitstek. Een trouwe schutter moest de stad wel toegedaan zijn. En juist het heil van de stad, van de stedelijke gemeenschap als geheel was de maat der dingen. Voor de meeste stadsbewoners reikte de horizon nu eenmaal niet verder dan de omwalling.

Ook voor het persoonlijk leven in de zeventiende eeuw zijn de lotgevallen van bakker Limming illustratief. Knechten woonden vaak bij hun meesters in. Dat Dirk de vrouw van zijn baas goed kende, ligt dan ook voor de hand. Hij zal haar na diens overlijden tot steun zijn geweest, al was het alleen maar door het werk en de zaken in haar naam voort te zetten. Ze kunnen later uit liefde zijn getrouwd, maar aannemelijk is dat praktische overwegingen een huwelijk ingaven. Beiden hadden veel te winnen bij een echtverbintenis: hij een woning, een bakkerij en uitzicht op het meesterschap, zij een kostwinner en wellicht een vader voor haar half verweesde kinderen.

De grote waarde van dit boek ligt in het panorama dat het biedt op verhoudingen tussen familieleden, buren, beroeps- en geloofsgenoten. Door de concentratie op structuren en organisaties die ook elders bestonden, biedt Eenheid en verscheidenheid een model voor de zeventiende-eeuwse stedelijke samenleving in het algemeen. Dorren schetst niet minder dan een Hollands poldermodel, een toonbeeld van harmonieuze omgang op allerlei terreinen. Het was in dit opzicht goed leven in Haarlem. De auteur beschrijft er het samenleven met zoveel sympathie, dat men onwillekeurig moet denken aan de al even empathische beschrijving van de rurale samenleving in Graft door A. Th. van Deursen. Het lijkt soms te mooi om waar te zijn. Toch is onder historici de opvatting vrijwel algemeen dat omgangsoecumene (verdraagzaamheid tussen andersgelovigen in het dagelijks verkeer) en een discussiecultuur tot de grondkenmerken van de zeventiende-eeuwse maatschappij behoorden. Dat maakte van Haarlem echter nog geen vrije, democratische samenleving – ook dat blijkt uit Dorrens boek.

Een stedelijke organisatie die vooral in Haarlem een zeer lang leven beschoren is geweest, was de rederijkerskamer. Haarlem telde er twee, waarvan de oudste, met de naam Trou Moet Blycken, tot op de dag van vandaag (thans als herensociëteit) bestaat. Net als de schutterijen waren de kamers nauw verbonden met de stedelijke identiteit. Schutterij en kamer droegen dezelfde genootschapskenmerken als buurtorganisaties en gilden, maar meer dan deze hadden ze een stadsvertegenwoordigend karakter. Waar de schutters de eer van de stad zonodig met het geweer verdedigden, deden de rederijkers dat met de pen. Het geschreven of gedrukte, maar evenzeer het gedeclameerde, gezongen of geacteerde woord, was naast de beeldende kunst het middel bij uitstek om de lof van de stad te zingen. Naast instrument van eenheid was het ook een kanaal van verscheidenheid, waarlangs gedachtewisseling en meningsvorming plaatsvond.

`Trou Moet Blycken' was het devies van het dichtgezelschap dat officieel `De Pelikaan' heette. In het sociëteitsgebouw aan de Grote Houtstraat bewaren deze `Pellicanisten' naast een omvangrijke verzameling zestiende-eeuwse toneelspelen nog een aantal blazoenen, wandtapijten en enig glas- en zilverwerk dat met de kameractiviteiten van weleer verband houdt. Over het kunstbezit van de sociëteit stelde Alexander de Bruin een catalogus samen, waarin hij ook de geschiedenis van de kamer behandelt.

Wapenschilden

Hoogtepunt was een rederijkerswedstrijd in 1606, waaraan kamers uit twaalf Hollandse steden en dorpen deelnamen. De aanleiding vormde een loterij ten behoeve van een nieuw oudemannenhuis. Het festival werd kort voor de sluiting van de lotenverkoop gehouden, om de deelnemers en de toeschouwers op de valreep tot extra vrijgevigheid te bewegen. Wedstrijden als deze laten zien hoe rederijkerskamers werden ingezet om publieke doelen te realiseren en persoonlijke en collectieve deugden bij de burgers aan te kweken. Net als bij de hedendaagse televisieactie moest amusement de deugdzaamheid op gang brengen. Het vooruitzicht van persoonlijk gewin hielp een handje mee. Het wedstrijdelement stimuleerde ook de kamers hun beste been voor te zetten, daarbij geholpen door aanzienlijke subsidies van de stadsbesturen.

Niet alleen literair, ook visueel moest de show perfect zijn. Daarom werd veel aandacht besteed aan de gekostumeerde optocht bij de opening van de wedstrijd en het daarbij gepresenteerde kamerblazoen. Van zulke wapenschilden bezit `Trou Moet Blycken' er nog veertien: de grootste collectie uit de Nederlanden. Ze drukken in tekst en beeld de identiteit en het zelfbeeld van de organisaties uit. Figuratieve voorstellingen, symbolen, stads- en familiewapens getuigen in combinatie met namen, deviezen en jaartallen van hun geschiedenis en – niet zelden – hun voorreformatorische gezindheid. Ze kenmerken een cultuur waarbinnen literatuur en beeldende kunst elkaar geregeld ontmoetten en met name voor de middengroepen in de stedelijke samenleving toegankelijk waren.

Met hun ontsluiting levert De Bruin een belangrijke bijdrage aan het onderzoek van de rederijkerij, die niet alleen literatuurhistorici en historici, maar ook kunsthistorici veel te bieden heeft.

Gabrielle Dorren: Eenheid en verscheidenheid. De burgers van Haarlem in de Gouden Eeuw. Prometheus/Bert Bakker, 284 blz. €26,55

Alexander de Bruin: De schatten der Pellicanisten. Over de blazoenen, het glas- en zilverwerk, en de wandtapijten van de Haarlemse rederijkerskamer `Trou moet Blycken'. Rombach boek en beeld (023–5341278), 216 blz. €43,18