De neus van Mulisch

Aan typeringen voor Harry Mulisch, die maandag 75 jaar werd, is geen gebrek. Ze zijn bovendien niet van de geringste soort. Kees Fens schrijft: ,,Hij is een deïstische God: hij heeft zijn wereld geschapen en laat die glimlachend verder aan zichzelf over.'' En in Max Pams satirische sleutelroman De Herenclub is Mulisch herkenbaar in Horus Mimir, de Goddelijke Schrijver. Theodor Holman vat de carrière van Mulisch samen in de conclusie: ,,Hij probeerde een Nederlandse Sartre te worden maar was meer een New Age-filosoof avant la lettre.'' En: hij is ,,eigenlijk niet meer dan de definitieve Godfried Bomans van de Nederlandse literatuur geworden.''

In bijnamen, daarentegen, grossiert Mulisch vreemd genoeg niet. Welbeschouwd is slechts één naam een begrip geworden: de Neus. Maar dat is er dan ook een met literair gewicht. Hij deelt die titel immers met een van de grootste Romeinse dichters, Publius Ovidius, die aan zijn ferme reukorgaan de toevoeging Naso dankt. Bovendien heet Nicolaj Gogols bekendste novelle De neus. En dan blijft de invloed van de gok van Cyrano de Bergerac nog buiten beschouwing.

De neus van Mulisch heeft dan ook in de loop van de decennia de nodige pennen in beroering gebracht. Theodor Holman, die een haast oedipale hekel aan Mulisch heeft, karakteriseert diens oeuvre met de dubbelzinnige formulering: ,,Hij heeft een diepzinnigheid die net zo groot is als zijn neus.''

Holman en Dirk van Oostveen pasten er een bestaande – jiddische – grap voor aan: H.J.A. Hofland (die in De Herenclub verschijnt als H.J.O. Bofman) en Mulisch gaan zwemmen. Hofland voelt voorzichtig met zijn teen in het water en zegt: `Mmm, lekker warm.' Waarop Mulisch zijn neus in het water steekt en zegt: `En lekker diep!'

Zoveel belangstelling krijgt de neus, dat Theo Sontrop – toenmalig directeur van de Arbeiderspers – eens zei: ,,Als de neus van Mulisch korter was geweest, zou de geschiedenis anders zijn verlopen.'' Zijn opmerking is een variant op een uitspraak die op tal van momenten op tal van gebeurtenissen in de historie is toegepast, en die voluit luidt: ,,Was de neus van Cleopatra groter geweest, dan zou de wereldgeschiedenis een andere loop gekregen hebben'' (de uitspraak is afkomstig van de filosoof Blaise Pascal, volgens wie het heel anders had kunnen aflopen met het Romeinse rijk – en het Egyptische – als Julius Caesar en Marcus Antonius zich niet door Cleopatra's charmes hadden laten afleiden van wereldlijker zaken). Vooral lezers van het stripalbum Asterix en Cleopatra zullen het beeld herkennen.

Opmerkelijk detail – al zal Mulisch elke suggestie van toeval ongetwijfeld afwijzen – is dat de jarige zelf eens een essay geschreven heeft onder de titel De neus van Cleopatra. Het verscheen in De Zuilen van Hercules, een bundel met `tien opstellen over cultuur, geschiedenis, filosofie en literatuur'.

Over Mulisch lijkt vooral in superlatieven gesproken te worden, maar één ding is hij niet: de meest gelauwerde auteur van ons taalgebied. Die eer gaat naar Hugo Claus. Niettemin is hij vaak in de prijzen gevallen, al dan niet om zijn literaire prestaties. Hij won eens de prijs voor de best geklede schrijver, een uit de hand gelopen studentengrap, maar de auteur kwam hem graag persoonlijk in ontvangst nemen.

En Mulisch speelt een rol in Remco Camperts boekje Tjeempie! of Liesje in Luiletterland, waarin de naïeve Liesje van de provincie naar de landelijke hoofdstad trekt. In die poel des verderfs wordt haar eer belaagd door verscheidene schrijvers, in wie naast Het Roofdier (Jan Cremer) ook de Best Gekapte Schrijver opvalt. Liesje valt voor Mulisch, zoals veel vrouwen voor en na haar.

Daar had hij een neus voor.