Chauffeurs lopen risico op straling

Bij het transport van (licht) radioactief materiaal lopen chauffeurs het risico aan meer dan de maximaal toegestane hoeveelheid straling te worden blootgesteld. Dat blijkt uit een beperkt onderzoek van de inspectiedienst van het ministerie van VROM naar naleving van de Kernenergiewet.

Het onderzoek richtte zich op 29 bedrijven die regelmatig goederen opslaan en vervoeren waarin zich radioactieve bronnen bevinden, zoals brandmelders en bijvoorbeeld materiaal voor laboratoria. De bezochte bedrijven zijn vervoerders, importeurs en distributeurs.

Bij het transport van deze radioactieve stoffen hoeft volgens de wet geen waarschuwing op de verpakking te zijn aangebracht (vrijgesteld van klasse-7 aanduiding wordt dat genoemd). Wel moet uit de vrachtbrieven blijken wat de preciese inhoud is. Daar gaat het vaak mis omdat de chauffeurs uit de omschrijving niet op kunnen maken dat ze met (licht) radioactief materiaal werken. De inspectiedienst waarschuwt dat het gevolg hiervan kan zijn dat het jaarlijkse toegestane maximum aan straling (1 millisievert) reeds bij 100 werkdagen kan zijn bereikt.

Een van de aanbevelingen in het VROM-rapport luidt dat importeurs en distributeurs duidelijker informatie moeten verstrekken aan de vervoerders. Ook moet er meer kennis komen over radioactieve stoffen, vooral bij importeurs schiet die nogal eens te kort, vindt de inspectie. Als er regelmatig tijdelijke opslag van deze stoffen plaatsheeft moet dat volgens de onderzoekers worden beschouwd als structurele opslag waarvoor een vergunning is vereist. De inspectiedienst heeft de Arbeidsinspectie op de hoogte gesteld van de bevindingen.