`Vadertje' of verrader

Fikret Abdic, al vijftien jaar lang een van de meest kleurrijke figuren in het openbare leven van Bosnië, is gisteren in het Kroatische Karlovac veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf wegens oorlogsmisdaden, gepleegd in de Bosnische oorlog. Abdic heeft laten weten in hoger beroep te gaan.

De nu 63-jarige Abdic heeft volgens de rechtbank tijdens de oorlog in Bosnië (1992-1995) zeker vijfduizend mensen gevangen gezet in kampen en detentiecentra, waar ze werden mishandeld en zelfs gemarteld. In zeker drie gevallen waren mensen bezweken onder de martelingen – althans: de rechter ging daarvan uit, hoewel concrete bewijzen ontbraken. In totaal zou Abdic verantwoordelijk zijn voor de dood van 121 mensen. De straf van twintig jaar is de maximumstraf voor oorlogsmisdaden in Kroatië.

Eerder deze week besloot een Bosnische rechtbank dat Abdic ondanks de aanklachten tegen hem in Kroatië als kandidaat kan deelnemen aan de Bosnische presidentsverkiezingen – zolang hij niet wordt veroordeeld. Omdat Abdic in hoger beroep is gegaan, staat hij formeel nog steeds kandidaat voor het presidentschap van Bosnië.

Fikret Abdic leidde in de jaren tachtig in Velika Kladuša, in het verarmde noordwesten van Bosnië, het voedselverwerkingsbedrijf Agrokomerc, de enige grote werkgever in de regio en een van de grootste bedrijvben van het oude Joegoslavië. Dat mammoetbedrijf raakte in 1987 in opspraak wegens een fraude op gigantische schaal: gebruikmakend van mazen in de Joegoslavische wet, had Abdic met valse wissels op valse wissels voor meer dan twee miljard dollar gefraudeerd. Het was het grootste financiële schandaal in de geschiedenis van Joegoslavië. Abdic verdween in de gevangenis, maar stond niet terecht en kwam in 1989 vrij.

Maar in Velika Kladuša en de regio-Bihac bleef hij ondanks – beter: dankzij – die fraude immens populair. Hij was een handige zakenman die zich tot multi-miljonair had opgewerkt en die Agrokomerc vanaf de grond had opgebouwd. Hij was óók een gulle werkgever die werknemers volop liet meedelen in de winst en hun een bovenmodale levensstandaard verzekerde. Dat telde zwaar in een regio die verder economisch weinig of niets te bieden had.

Toen Bosnië in 1990 vrije presidentsverkiezingen uitschreef, stelde Abdic zich kandidaat voor het Bosnische presidentschap. Hij won die verkiezingen ook, maar stelde zijn zetel in het presidentiële driemanschap ter beschikking aan Alija Izetbegovic, voormalig politiek gevangene met de status van held onder de Bosnische moslims.

Na het uitbreken van de Bosnische oorlog brak Abdic al snel met de leiding van de moslims in Sarajevo. Hij wilde `zijn' regio, Bihac, die grensde aan Kroatië, aan het gebied van de Servische rebellen in Kroatië en aan het gebied van de Servische rebellen in Bosnië, buiten de oorlog houden en slaagde daarin door een smokkelregime op te zetten waarbij hij alle partijen – Kroaten, Kroatische Serviërs, Bosnische Serviërs en Bosnische moslims – leverde wat ze nodig hadden, van voedsel tot wapens. Omdat alle partijen hem nodig hadden lukte het lang de vrede in Bihac te bewaren – tot immense opluchting van de plaatselijke bevolking. Abdic – `Babo', Vadertje, voor zijn eigen achterban – riep Bihac uit tot autonome provincie, die zich niets meer wenste aan te trekken van wat men in Sarajevo riep.

Dat alles werd in Sarajevo beschouwd als insubordinatie en verraad en zodra de regering van de Bosnische moslims daar militair toe in staat was, stuurde ze een leger op Abdic af – de enige keer in de Bosnische oorlog dat moslims georganiseerd moslims bestreden. Uiteindelijk slaagde dat leger erin de troepen van Abdic te verslaan. Hij vluchtte naar Kroatië, werkte in Rijeka als succesvol zakenman en kreeg uiteindelijk naast de Bosnische ook de Kroatische nationaliteit. Hij werd in juni vorig jaar gearresteerd, nadat een Bosnische rechtbank toestemming had verleend voor een proces in Kroatië. Abdic' `tweede man', Ibrahim Djedovic, is in eigen land overigens vrijgesproken van oorlogsmisdaden.