Kost en Inwoning

Arme Willem van den Aker, niet één hit op Google. Er is geloof ik een term voor verzonnen, voor woorden of woordcombinaties die zelfs daar geen resultaat opleveren, zo zelden komt het voor. Een hapax bij Homerus was nog een woord dat één keer kon worden aangetroffen, maar een naam die niet bestaat? Daar hangt een dichter aan die niet bestaat.

Eén regeltje heeft-ie gelukkig in het uit 1952 stammende Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid van K. ter Laan, waar je wel vaker met succes naar grijpt als alle anderen verstek laten gaan. `Geboren 1901 te Antwerpen, navolger van Wies Moens', staat er in dat regeltje.

Je schiet er niet echt mee op.

Het werkt zelfs remmend. Wies Moens, was daar niet iets mee? Veroordeeld om zijn houding tijdens de Eerste Wereldoorlog, veroordeeld om zijn houding tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een naam die je verbindt met het expressionisme, maar ook met Dietsland en de Groot-Nederlandse idee. Al weet je niet precies hoe Wies Moens ruikt, een luchtje heeft-ie. Wat dan te denken van een navolger?

Het ergert je in zo'n geval dat je over iemands levensloop niets te weten kunt komen. Misschien heeft Willem van den Aker het navolgen van de drie jaar oudere Wies Moens na 1952 wel gestaakt, al was dat met beide wereldoorlogen achter de rug rijkelijk laat. Misschien was hij, zoals veel navolgers, fanatieker dan zijn voorbeeld en heeft hij nog in 1985 de Ring der Nibelungen ten einde toe uitgezongen op het Poperingse martkplein. Er kan wel een luchtje aan Willem van den Aker zitten dat uren in de wind stinkt.

Begrijp me niet verkeerd. Een prachtig gedicht van een moordenaar blijft een prachtig gedicht. Ik zou hier met een gerust hart het meesterwerk van een viervoudige bankrover citeren of zelfs van een politieke windbuil. Het probleem is niet dat iemand die niet deugt geen goeie gedichten kan schrijven.

Het probleem is dat als iemand niet deugt nu ja, dat je dat heel graag wilt weten. Meteen. Alles. Tot in de details.

Van Willem van den Aker ken ik alleen twee dichtbundels, een uit 1924 en een uit 1926. Er komen gedichten in voor over de miraculeuze snelheid van het fietsen en over een jazzband die ons meevoert naar zoeloeland. Typisch roaring twenties dus. In zijn bundel uit 1926, Willem van den Aker is dan 25 jaar, schrijft hij

Ach wij zijn hard, ach wij zijn oud helaas

en zien de dingen

met één oog open

met één vermoeid oog dicht

blasé, modern, europamoe, werkelijk geheel in de geest van zijn tijd.

Azuren

vlammen

vlugge vlerken

blikkerbrand

- staat er in een ander gedicht. Behalve Wies Moens zijn ook Van Ostaijen en Marsman nooit ver weg. Van den Aker was misschien een epigoon, maar waarom hebben slechtere epigonen het wel gehaald? Zes, zeven gedichten van hem kan ik opsommen die in geen bloemlezing zouden misstaan. Is Willem misschien juist te braaf geworden en sleet hij de rest van zijn leven als dorpsonderwijzer in Wommelgem?

Ook het gedicht Watersneeuw uit de bundel Het gelaat der straten van 1926 mag er zijn. Om er het effect van een klankgedicht aan te geven evoceert Van den Aker half zoekgeraakte Vlaamse woorden

De losse vlosse vlokken

zijgen met de vleet

in lodders ligt het land

dat klinkt en trippelt behoorlijk. Verderop heeft hij het over plamei en plodder, wat bewijst dat het geen gedicht is in sappige boerentaal, maar dat Van den Aker bewust met dit woordregister experimenteert. Vlamismen als hapaxen in een internationale beweging. Het WNT noemt plamei alleen in de betekenis van appelmoes.

Plamei en plodder, over een eenzaam stel gesproken. Gearmd stappen ze voort door dras en plas. Ze zijn niet pittoresk, ze versterken juist het expressionistische karakter van het gedicht, met zijn loden fosforlucht op verblauwende daken en zijn gebalde warmten achter vrekkig vensterglas.

In elke strofe is een ander rijm aanwezig, in de tweede en zesde regel. Bovendien is er een enkel rijm dat de drie strofen verbindt: lijden, tijden, wederzijden. Een eigenaardige spanning tussen symmetrie en asymmetrie. Ook de manier waarop stad en land elkaar raken, of juist niet raken, is weinig traditioneel. En het enjambement in de laatste regels, met dat in tweeën gebroken `achter', ach, zoiets doe je alleen als statement.

Dit zijn moderne tijden, wil de dichter zeggen, dit is de can-can.

Nu maar hopen dat Willem van den Aker is gestorven als verschrikkelijke boef en niet als kinderrijke huisvader op pantoffels.