Blair kan in kwestie-Irak geen kant op

Het zou dwaasheid zijn om zonder brede steun van het volk een oorlog te beginnen waarin Engelse slachtoffers gaan vallen, meent Jonathan Eyal.

Koning Abdullah van Jordanië was onlangs in Londen, in een poging de Engelse premier te weerhouden van een eventueel militair optreden tegen Irak. Tony Blair ontving de koning beleefd, maar herhaalde zijn steun aan het Amerikaanse standpunt inzake Saddam Hussein. Toch is de werkelijkheid achter dat vastberaden beeld gecompliceerder: voor het eerst sinds hij aan de macht is heeft de Engelse premier serieuze problemen in eigen land, en juist over de kwestie-Irak.

Meer dan enige leider sinds Churchill heeft Tony Blair het leger een plaats gegeven in het hart van de Engelse buitenlandse politiek. Dat was het gevolg van een bewust besluit van Londen om het onbetwiste voordeel van Engeland uit te buiten. Terwijl Blair in zijn Europese politiek altijd zal worden belemmerd zolang zijn land buiten de Europese Monetaire Unie blijft, hebben de Engelsen in militaire kwesties wel iets in te brengen. Londen besteedt nog altijd meer dan enig ander Europees land aan zijn strijdkrachten. Bovendien zijn de militaire uitgaven meestal doelmatiger, doordat Engeland al tientallen jaren een beroepsleger heeft.

Dankzij dit voordeel kan Blair op buitenlands terrein een dubbelrol spelen. Enerzijds ging hij voorop in de pogingen een nieuwe Europese defensie-identiteit te scheppen. En tegelijkertijd kon Blair dankzij de hoge mobiliteit van de Engelse strijdkrachten op nationale basis troepen leveren aan operaties onder leiding van de VS. De Engelsen voerden het bevel over de landstrijdkrachten die Kosovo binnenvielen; ook hadden ze de leiding over de eerste vredeshandhavingsmacht in Afghanistan. En tussendoor mengden ze zich ook nog in een paar ouderwetse koloniale oorlogen in Sierra Leone.

Die tactiek werkte een tijdje voortreffelijk. Blair genoot een onevenredige invloed op het buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie. En door zijn steun aan elk Amerikaans militair avontuur verdreef hij ook de aanvankelijke twijfel die de nieuwe regering-Bush misschien had aangaande een Engelse premier die tenslotte Bill Clinton nog altijd als een persoonlijke vriend en ideologische soulmate beschouwt.

Veel invloedrijke leden van Blairs Labourpartij zijn heimelijk geschrokken van de slaafsheid waarmee de premier zich in hun ogen bij elk Amerikaans beleid aansloot, maar ze hielden hun mond. Het was immers onmogelijk om aanmerkingen te hebben op het besluit van Blair om de etnische zuiveringen in Joegoslavië te bestrijden, en nog moeilijker om kritiek uit te oefenen op zijn vastbeslotenheid om het op te nemen tegen de Talibaan en Al-Qaeda in Afghanistan.

Maar Irak blijft een andere kwestie, en links Engeland is inmiddels vastbesloten nu eens zijn tanden te laten zien. De redenen zijn deels psychologisch: deze oorlog is in de ogen van links Engeland begonnen door de gehate Margaret Thatcher en vader Bush, en wel om de rijke Arabische oliesjeiks te verdedigen; het is domweg onaanvaardbaar dat een Labour-premier deze oorlog zou voortzetten. Er is ook een praktisch argument: dit wordt een confrontatie zonder heldere strategie en zonder duidelijke, realistische uitkomst. De kritiek op de Amerikaanse houding komt dan ook niet alleen van de gebruikelijke linkervleugel, maar ook van rijk gedecoreerde legergeneraals en diplomaten. Ten slotte valt de crisis in Irak nog samen met een meer algemeen verzet tegen Blair binnen zijn partij; de linkervleugel heeft het de laatste tijd weer voor het zeggen gekregen in belangrijke vakbonden die van oudsher de pijlers van zijn Labour-beweging waren.

Blair heeft het zichzelf nog moeilijker gemaakt doordat zijn inzicht hem op deze wezenlijke punten in de steek heeft gelaten. Aanvankelijk nam hij aan dat de Irak-crisis op zijn traditionele manier kon worden aangepakt: rechtstreeks overleg met de Amerikanen en de heimelijke toezegging van troepen zonder het Engelse volk ook maar te raadplegen. Maar al gauw bleek deze methode niet meer te werken. Niemand minder dan admiraal Boyce, hoofd van de Engelse strijdkrachten, leverde openlijk kritiek op de plannen voor een aanval op Irak. Boyce werd vervroegd met pensioen gestuurd, maar de kritiek zwelde aan. Leden van de regering werden loslippig. Clare Short, zijn minister van Ontwikkelingshulp, dreigde zelfs af te treden.

Verbaasd over die reactie probeerde Blair een andere tactiek: weliswaar had hij oorspronkelijk gezegd dat de kwestie-Irak geen uitstel kon velen, maar nu beweerde hij opeens geruststellend dat `geen besluiten over toekomstig optreden waren genomen'. Helaas was ook dat fout, vooral omdat de gestage stroom lekken in de Amerikaanse media duidelijk maakte dat de militaire voorbereidingen doorgingen en er dus wél besluiten werden genomen.

In feite kan de Engelse premier geen kant op: welke richting hij ook kiest, telkens stuit hij op grote politieke gevaren. Eén mogelijkheid zou zijn dat hij elk plan zou laten varen om aan de Amerikaanse operatie mee te doen. Dit is door Blair heimelijk al als ondenkbaar afgewezen, en wel om simpele politieke redenen. De Engelse premier beseft terdege dat de verhouding met Bush ondanks hun ogenschijnlijke vriendschap breekbaar is: het merendeel van de voornaamste Amerikaanse regeringsfunctionarissen vertrouwt hem niet en als hij buiten de oorlog zou blijven, zullen de militaire bijdragen van Engeland uit het verleden snel vergeten zijn. Des te gevaarlijker is, dat dit net op een tijdstip zou gebeuren dat Frankrijk wordt geregeerd door een rechtse regering en president, en dat Duitsland ook weer een rechtse regering zou kunnen krijgen; beide staan ideologisch dichter bij Washington dan de regering in Londen.

De Engelsen weten nog dat de vader van Bush begin jaren negentig een hechtere band met Frankrijk en Duitsland probeerde te smeden; die zou nu dan kunnen groeien, mocht Engeland buiten elke operatie in Irak blijven. Maar het tweede alternatief, doorgaan met de voorbereiding om Engelse troepen samen met de Amerikanen de strijd in te sturen, is ook riskant. Dat zou leiden tot het aftreden van een aantal ministers en tot een opstand van wel zestig parlementsleden van Labour. Blair zou die uitdaging wel overleven, maar de gevolgen op lange termijn kunnen wel eens zeer ernstig zijn. Want zoals elke Engelse politicus weet, garandeert een geslaagde buitenlandse politiek nog geen herverkiezing, maar garandeert een mislukte buitenlandse politiek wel een verkiezingsnederlaag.

Het zou dwaasheid zijn om een oorlog te beginnen zonder brede steun van het volk, vooral een ongewisse en uiterst ingewikkelde oorlog met Irak, waarin gegarandeerd Engelse slachtoffers gaan vallen maar waarvan de uitkomst niet meteen duidelijk of van klaarblijkelijk belang is.

Wat is Blair dan voornemens te doen? Trouw aan zijn ideologie bewandelt hij een `derde weg' voor een militaire operatie, maar lijkt hij ook op vrede te hopen. Er zijn geen plannen voor een coördinatie van het beleid met andere Europeanen, want Blairs voornaamste belang blijft om de nadruk te leggen op de bijzondere bijdrage van zijn land aan de operatie in Irak. In plaats daarvan probeert de Engelse leider de Amerikanen te doen instemmen met een laatste bemiddelingspoging van de Verenigde Naties in Irak. Zijn hoop is dat die poging zal mislukken, waarmee hij een rechtvaardiging heeft om Engelse troepen in te zetten. Deze plannen zullen worden besproken in de marge van de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september.

Zouden de Amerikanen meegaan met de Britse tactiek van nieuwe onderhandelingen met Irak? Misschien. Maar de situatie heeft iets onmiskenbaar tegenstrijdigs: voor het eerst in zijn loopbaan is het grootste voordeel van Tony Blair – dat hij tevens militair opperbevelhebber is – nu ook zijn grootste politieke hoofdpijn. Zoals altijd in de politiek is er een grens aan het aantal malen dat dezelfde truc kan worden herhaald.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.