Het ravijnsyndroom

De hoge bergen in Europa ontstonden tijdens het zogenaamde plooiingsproces, vooral in het Tertiair. Van de Tour kennen we de belangrijkste passen zoals de Tourmalet, Ausbisque, Galibier en Alpe d'Huez. Ik passeerde deze rotsmassieven meer dan dertig jaar en heb daarbij vooral respect ontwikkeld voor hun ravijnen.

De Pyreneeën en de Alpen zijn in alle toonaarden bezongen. Maar de ravijnen niet. Er komt nooit iemand, tenzij door een ongeluk. Daarom weten we er niet zoveel van, omdat er weinig overlevenden zijn. Op sommige plaatsen zijn de ravijnen wondermooi. De vegetatie bestaat uit orchideeën, mossen, zwammen, bloeiende kruiden en een enkele boom. Maar de ravijnen tonen voor de Tourvolger een gevaarlijke schoonheid. Ik heb in de ronde een paar jaar zelf aan het stuur gezeten en toen viel het wel mee. Maar als passagier sloop de angst er toch in. Vooral de Galibier (2646 meter hoogte) was afschrikwekkend. In de jaren zestig was de klim vanuit het lieflijke Valloire nog een smal, inktzwart assepad. Dan keek je over de rand en zag je een peilloze diepte van een paar duizend meter het ravijn. Er was toen op de Galibier geen enkele bescherming tegen het ravijn. Geen muurtje, geen paaltje. Over de rand was een enkele reis naar het hiernamaals. Nu in de Tour over een paar dagen de bergen eraan komen, schuren de ravijnen weer tegen de actualiteit aan. In 1957 tijdens de zeventiende etappe van de 44ste Tour maakte het ravijn zijn eerste slachtoffers. Op weg van Barcelona naar Ax-les-Thermes reed de zeer ervaren motard Wagner met op duozit de populaire reporter Alex Virot van Radio Luxemburg door onbekende oorzaak in het ravijn. Het duo sloeg na een spectaculaire val met de motor in de diepte op de rotsachtige uitgedroogde bedding van een bergstroom te pletter. De mannen waren op slag dood. Ik ken één enkele Nederlandse overlevende passagier na een duik in het ravijn, John Krijnen. De befaamde mecanicien van Pedro Delgado, Steven Rooks, Gert-Jan Theunisse, Greg LeMond en tegenwoordig Leontien van Moorsel volgde in 1988 met assistent-ploegleider Piet van der Kruys van PDM op de Col Agnel de kopgroep. Een dag eerder had Hugo Camps in de auto van Van der Kruys al zijn bedenkingen uitgesproken over diens stuurmanskunst. Camps zei tegen Krijnen: `Als wij het dal bereiken, tracteer ik op een dubbele whisky'. Tegen de top van de Col Agnel lost Peter Steevenhagen (PDM) uit de kopgroep. Piet van der Kruys wil hem in de afdaling moed inspreken en geeft gas. Hij toont net iets te weinig respect voor het ravijn en duikt in de diepte. De auto bonkt op de stenen liefst zestig meter naar beneden. En daar staat in het immense rotslandschap één enkele boom. De auto boort zich in de boom en begint te roken. Johnny Krijnen zit met een knie bekneld in het wrak. In dit soort levensbedreigende omstandigheden ontwikkelt de mens kennelijk bovenaardse krachten. Johnny sloopt de beknellende elementen in de auto en rolt naar buiten. Hij wordt met chauffeur Piet even later opgevangen door reddingswerkers, aangevoerd per helikopter. Het ravijn met zijn orchideeën van bedrieglijke schoonheid moet ditmaal zijn slachtoffers laten ontsnappen. Maar Johnny Krijnen blijft patiënt. Het gebeurt dat hij midden in de nacht badend in het zweet wakker schrikt en recht overeind komt. Dan ziet hij de peilloze diepte en die ene boom, geplant door de voorzienigheid, voor zich. Het ravijnsyndroom.