Wie Wim Kok ziet, ziet de tijdgeest

De ministerraad leidde hij gisteren voor het laatst. De komende dagen zijn z'n laatste als demissionair premier. Drieëndertig jaar speelde hij een hoofdrol in de polder. Wie is er niet groot geworden met Wim Kok? Portret van de voormalig voorzitter van Nederland.

Wim Kok. Zes letters, niet meer. Ideaal voor het verkiezingsaffiche: Kies Kok. Ideaal ook voor het protestbord: Rot op Kok. De eenvoud van de naam is in elk geval wel zo symbolisch voor de persoon die erachter steekt. Het is de naam van de man die al die oer-Hollandse spreekwoorden in zich weet te verenigen. Rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg. Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. Niet over één nacht ijs gaan. Haastige spoed is zelden goed.

Wim Kok, wie is er niet groot mee geworden, om de bekende pindakaasreclame te parafraseren. Nederland neemt niet alleen afscheid van minister-president Kok, maar van het instituut Kok. De man die al ruim dertig jaar hoofdrolspeler is in het Nederlands overlegmodel. Eerst als vertegenwoordiger van de vakbeweging; later als politicus. In zijn verschillende rollen was hij al die tijd een centrale figuur in de nationale consensusmachinerie. Al meer dan dertig jaar getrouwd met de Miljoenennota bijvoorbeeld. Om deze te analyseren als secretaris van het NVV, te becommentariëren als vakbondsvoorzitter, te bekritiseren als oppositieleider en te verdedigen als minister-president. Al meer dan dertig jaar functioneel aanwezig op Prinsjesdag. Een beter bewijs dat consensus voor een belangrijk deel gebaseerd is op continuïteit bestaat nauwelijks.

Alles heeft hij meegemaakt: van de demonstraties onder zijn aanvoering tegen asociaal regeringsbeleid tot en met de spreekkoren tegen zijn eigen als asociaal bestempelde bezuinigingsmaatregelen op bijvoorbeeld de WAO. Hij was erbij toen met het kabinet-Den Uyl de verbeelding aan de macht kwam en hij was erbij toen diezelfde verbeelding in de Partij van de Arbeid plaatsmaakte voor het nieuw realisme. Hij zag hoe begin jaren zeventig binnen de vakbeweging enthousiast werd gesproken over het `Joegoslavisch model' als ultieme vorm van arbeiderszelfbestuur. Datzelfde Joegoslavië dat met zijn toestemming enkele decennia later onder andere door Nederlandse F16's gebombardeerd zou worden. De lijnen van Kok zijn lange lijnen.

Wie Wim Kok ziet, ziet de tijdgeest. Met de vuist omhoog in de rumoerige jaren zeventig tot en met de betraande ogen van nu in de emotiesamenleving. Toen in vakbondsmanchester, nu in Frans-Molenaarsnit. Nooit vooruitlopend, altijd aanschuivend. Geen leider, des te meer een voorzitter. Voorzitter van Nederland. Het is misschien wel de beste typering van Wim Kok. De socioloog Bram de Swaan is de auctor intellectualis van deze even simpele als doeltreffende benaming.

Niet eerder was binnen de Nederlandse verhoudingen één persoon zo lang zo dominant aanwezig in het maatschappelijk krachtenveld. Kok zat al in een leidinggevende positie toen Den Uyl nog met zijn kabinet moest beginnen. Kok was al gepokt en gemazeld in de Sociaal-Economische Raad toen Ruud Lubbers daar als minister van Economische Zaken voor het eerst zijn opwachting kwam maken. Kok heeft heel wat namen overleefd. Van Arie Groenevelt tot en met Johan Stekelenburg als het om de vakbeweging gaat; van Joop den Uyl tot en met Ad Melkert voor wat betreft de politiek.

Tijdig inspringen, dat is de kracht van Kok en dat alles onder zijn adagium dat ,,je soms dingen moet aanvaarden zonder ze te accepteren''. Op die manier leidde hij de vakcentrale FNV met zijn sterk van elkaar verschillende aangesloten vakbonden en zo hield hij zich ook staande in de op coalities gestoelde nationale politiek. Zijn voorganger Den Uyl sprak altijd over de noodzaak om de boel bij elkaar te houden. Wim Kok deed het. Het is het verschil tussen gedrevenheid en nuchterheid. In de publieke acceptatie is dit het verschil tussen geliefd dan wel gehaat worden aan de ene kant en gerespecteerd worden aan de andere kant. Kok heeft veel respect weten op te roepen.

Hoe ziet de Kokmethode eruit? Uit zijn vakbondstijd dateert de volgende observatie: ,,Kok laat eerst een medebestuurslid iets verdedigen. Dat kan een nota zijn, een opvatting, een rapport ook. Als het controversieel is, waakt Wim Kok er zorgvuldig voor zich voor zijn beurt uit te spreken. De anderen krijgen, zonder nog te weten hoe hij erover denkt, de gelegenheid voluit hun zegje te doen. Aan het eind van zo'n ronde gaat hij conclusies formuleren. Dan bouwt hij zijn verhaal op. Plukkend uit de bijdragen van anderen wat hem goed uitkomt, moeilijkheden die hij voorziet als het ware bezwerend, breit hij een compromis in elkaar. Met zo'n aangekleed verhaal wordt veelal de vergadering afgesloten. Kom je er op zo'n moment niet tussen, dan kun je er later niet op terugkomen door te zeggen dat je het niet begrepen hebt bijvoorbeeld. Dat doe je niet.''

Op dezelfde wijze laveerde Kok door het mijnenveld dat politiek heet. In het uit 1998 daterende boek Wim Kok, het taaie gevecht van een polderjongen van de journalisten Pieter Klein en Redmar Kooistra zegt Kok zijn rol als premier te beschouwen als die van een architect. ,,Deels zit de architectuur in het regeerakkoord, maar gaandeweg moet dat natuurlijk worden aangepast. Voorzitten is niet alleen het leiden van een vergadering en de hamer gebruiken. Voorzitter zijn is veel meer, het is opbouwen, voorbereiden soms in een duizelingwekkende hoeveelheid kwesties, daar samenhang in aanbrengen met collega's en coalitiegenoten.''

Het lijkt meer op procesbesturing dan op idealen verwezenlijken, waar de sociaal-democratie toch vaak mee vereenzelvigd wordt. Kok geeft dat in hetzelfde boek ruiterlijk toe: ,,Mijn grootste kracht ligt niet in het met weidse vergezichten schilderen van de toekomst op lange termijn, licht filosofisch getint en vergezeld van een pakkende ideologie. Ik ken mezelf voldoende, ook mijn beperkingen.'' Voor Kok gaat de wet op van de Franse staatsman Talleyrand die ooit zei dat de ware politicus het onvermijdelijke in een vroeg stadium herkent, het niet al te zeer bestrijdt en het vervolgens bevordert.

Mariakaakjes

Het is min of meer de constante in Koks loopbaan. Op afstand betrokken om op tijd te kunnen bijsturen. Zo bleef hij overeind, en belangrijker nog: de organisatie waarvoor hij optrad bleef ook zo overeind. Eerst de vakbeweging, daarna de PvdA en ten slotte het kabinet.

In 1969 was hij als secretaris van de Bouwbond betrokken bij gesprekken tussen vakbondsbestuurders en studentenactivisten. Onderwerpen die ter tafel lagen: het loonbeleid van de regering en de interne vakbondsdemocratie. Conform de tijdgeest was de link met het niet functioneren van de totale maatschappij snel gelegd. Al gauw deden verhalen de ronde over de vorming van een werkgroep voor een `maatschappijkritiese vakbeweging'. De gevestigde vakbondsbesturen vreesden voor een syndicalistische pendant van de Nieuw-Linksbeweging die bestond in de PvdA. Kok was er dan ook niet meer bij toen de werkgroep echt werd opgericht en in de doelstellingen stond dat gestreefd werd naar een ,,fundamentele verandering van de maatschappij in socialistische zin en naar een vergaande democratisering binnen de vakbonden''. Hij hoort niet bij vleugels. Hij is er om vleugels met elkaar te verbinden.

Vandaar ook in 1973, op 34-jarige leeftijd, zijn voorzitterschap van het NVV. Binnen de vakcentrale was een diepgaand conflict uitgebroken tussen de radicale voorzitter van de Industriebond NVV, Arie Groenevelt, en de gematigde voorzitter van de vakcentrale, Harry ter Heide. Groenevelt was fel gekant tegen het sociaal contract dat de vakcentrale met de regering wilde sluiten. Niets zag hij daarin terug van door zijn bond verlangde, zelfs geëiste maatschappijhervormende voorstellen, zoals spreiding van kennis, inkomen en macht. Ter Heide trad af als voorzitter en de vraag was wat zijn medebestuursleden (onder wie tweede vice-voorzitter Kok) nu moesten doen. Mee-aftreden of niet aftreden. Het eerste zou de crisis in de vakcentrale verergeren; niet aftreden zou een loyaliteitsconflict betekenen. De karakteristieke oplossing die Kok voorstelde hield het midden tussen deze twee: terugtreden. Een trouvaille waarover hij ruim tien jaar later tegenover Frans Nypels en Kees Tamboer in het boek Wim Kok, vijftien jaar vakbeweging zou zeggen: ,,Dat hield zoiets in als: zitten we in de weg, dan zegt u het maar, dan zullen we daaraan onze consequenties verbinden. Wordt dat niet gezegd, dan lopen we dus niet weg voor de verantwoordelijkheid.''

Die houding maakte hem uitermate geschikt een jaar later de leiding van de vakcentrale over te nemen en te werken aan een volgende opgave: het samensmelten van het algemene NVV met de katholieke vakcentrale NKV en het christelijke CNV. Het CNV deed uiteindelijk niet mee. NVV en NKV gingen samen verder als FNV en Kok kon zich op een gegeven moment voorzitter noemen van een organisatie met meer dan één miljoen leden. Naar buiten toe de man die met precies de juiste toon zijn actievoerende leden wist te bereiken. Battus heeft zo'n barricadetoespraak van Kok wel eens treffend ontleed: ,,Hoe is het protest? Vlammend. Hoe is de actie? Hard. Hoe hard zeggen wij nee? Keihard. Hoe verwerpen wij dit beleid? Volstrekt.'' Terwijl hij naar binnen toe, aan de onderhandelingstafel in gesprek met de werkgevers, de man was met wie je afspraken kon maken.

Vandaar zijn handtekening onder het befaamde `akkoord van Wassenaar' uit 1982 waarin werkgevers en werknemers loonmatiging in ruil voor herverdeling van arbeid overeenkwamen. Het was niet de geboorte van het poldermodel, zoals vaak wordt beweerd. Dat model dateert immers al van vlak na de oorlog toen de Sociaal-Economische Raad en de Stichting van de Arbeid werden opgericht en Nederland koos voor het neocorporatisme. Maar dat akkoord was wel een stevige bevestiging van het poldermodel en de aanzet tot een sociaal-economisch consensusbeleid waar Kok later als politicus nog het nodige profijt van zou hebben.

Vervolg op pagina 22

Wie Wim Kok ziet, ziet de tijdgeest

Vervolg van pagina 21

Wilde hij wel politicus worden? Het had niet veel gescheeld of Kok was midden jaren tachtig niet naar het Haagse Binnenhof vertrokken, maar naar Groningen om daar burgemeester te worden. Het dringende beroep van Den Uyl om voor de nationale politiek te kiezen had bij hem de doorslag gegeven. Sneller dan voorzien, reeds enkele maanden na zijn verkiezing tot Tweede-Kamerlid in 1986, nam hij het leiderschap van de PvdA over van Den Uyl. Om aan den lijve te ervaren dat oppositievoeren niets voor hem en dus ook niet voor de PvdA was.

Drie jaar later loodste hij de PvdA het kabinet in om vervolgens dertien jaar de macht niet meer af te staan. Alleen in de periode direct na de oorlog regeerde de PvdA zo'n lange onafgebroken periode. Het is niet de enige overeenkomst die Kok met de toenmalige PvdA-leider Drees vertoont. De spreekwoordelijke mariakaakjes die Drees nog aan zijn gasten presenteerde zijn dan wel passé, voor het overige was Kok qua zuinige en zakelijke uitstraling de reïncarnatie van Drees. Voor politieke bevlogenheid moest je niet bij hem zijn, wel voor haalbare oplossingen.

Zijn jaren als minister van Financiën in het derde kabinet-Lubbers waren een combinatie van ontgroening en ontmaagding. Ontgroend werd hij op het schaakbord van het politieke metier. Het draaide niet louter om het besluit; het besluit moest ook nog worden verkocht. De harde ingrepen in de WAO in het begin van de jaren negentig werden zodoende bijna zijn Waterloo. De ontmaagding gold het beleid zelf. Zoals Kok zelf in 1998 zei in de biografie van Klein en Kooistra: ,,Als minister van Financiën ben ik scherp geconfronteerd met de smalle marges. Dat is bij mij scherper gaan leven. In de vorige kabinetsperiode waren de financiële marges heel smal. Mijn besef van de urgentie van het terugdringen van het financieringstekort is in die periode niet ontstaan, het is wel toegenomen. (...) Op een gegeven moment kun je als samenleving geen kant meer op. Dan duwt het financiële probleem alle andere belangrijke dingen die je wilt doen weg.''

De financiële discipline die de PvdA zich onder Kok eigen maakte legde de kiem voor het latere samengaan met de VVD in Paars. Het ,,groeiende besef bij de socialisten dat de verzorgingsstaat door zijn interne tegenstelling steeds moeilijker te handhaven is'' was volgens VVD-leider Bolkestein in 1994 tijdens een toespraak in Brugge de voornaamste ontwikkeling die Paars mogelijk had gemaakt.

Maar de politieke consument is kort van memorie en bovendien niet schatplichtig. Het financieel beleid dat de motor vormde voor de in Europees perspectief bezien opvallende economische prestaties van Nederland onder Kok werd in de tweede paarse periode als een gegeven beschouwd en niet langer als prestatie gewaardeerd. Er kwamen andere verlangens voor in de plaats, terwijl de samenleving ook wel wat meer keuzes en rekenschap van de politiek verwachtte. Iets dat het grijze Paars niet kon leveren. Pim Fortuyn legde in zijn opmars de lacune genadeloos bloot. ,,Het is een droevige puinhoop van niet-regeren geworden. Men heeft op de winkel gepast en dat is dan dat'', schrijft hij in het boek De Puinhopen van acht jaar paars.

Zo populair de paarse combinatie ten tijde van het eerste kabinet Kok was, zo impopulair was dezelfde coalitie aan het eind van de tweede regeerperiode. De magie tussen PvdA en VVD was uitgewerkt. Wat resteerde was inertie. Het is Kok niet gelukt daar verandering in te brengen. Het creëren van nieuw elan vergt andere vaardigheden dan partijen bij elkaar houden.

De kiezers hadden de stilstand haarfijn door. Paars had afgedaan. Wat gedurende zeven jaar niet was gebeurd deed zich de laatste maanden voor: de fractieleiders van PvdA, VVD en D66 namen en masse afstand van `hun' kabinet. Dolend gingen de paarse ministers op weg naar het eind van hun zittingstermijn. Maar toch zorgde Kok nog voor een verrassing door een maand voor de verkiezingen het ontslag van zijn kabinet aan te bieden. De bevindingen van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie naar aanleiding van de val van de moslimenclave Srebrenica in 1995, eerder door hem ,,het absolute, zwarte, meest donkere dieptepunt'' uit zijn periode als premier genoemd, vormden de aanleiding. Op het electoraat maakte deze plotselinge eruptie van staatkundige zuiverheid weinig indruk. Niet eerder kreeg een zittende coalitie zo'n afstraffing als PvdA, VVD en D66 bij de afgelopen verkiezingen. De comfortabele meerderheid van 97 zetels slonk tot een minderheid van 54 zetels.

Strikt genomen kan Kok niet verantwoordelijk gehouden worden voor het dramatische verlies van 22 zetels dat de PvdA op 15 mei heeft geleden. Eind augustus vorig jaar kondigde hij zijn vertrek al aan. Volgens de wetmatigheden van het politieke bedrijf hield hij op dat moment op te bestaan. Melkert heette de nieuwe man.

Het vertrek van Kok hing al enige tijd in de lucht. Zelf wilde hij er niet meer over kwijt dan dat hij zich bezon. Ondertussen dacht de rest van Nederland in het openbaar met hem mee. Argumenten voor stoppen: geen drama à la Lubbers, maar een vertrek op het hoogtepunt. Argument tegen: bij de verkiezingen zou de premierbonus worden verspeeld. Kok wikte en woog en besloot uiteindelijk. In zijn afscheidsbrief aan zijn partijgenoten schreef hij dat de tijd was aangebroken voor een volgende generatie. ,,Met eigen accenten, een andere stijl, een nieuwe agenda, maar met dezelfde idealen.'' Opnieuw bewees Kok hiermee dat hij de tijdgeest goed aanvoelde. Die tijdgeest zei dat het tijd was voor zijn vertrek.