Vlaanderen boven

Nooit kwam het Clausiaans beter tot zijn recht dan in Het verdriet van België, stelt Pieter Steinz in deel 28 van zijn stoomcursus literatuur.

Eergisteren vierde Vlaanderen de 700ste verjaardag van de Guldensporenslag. De overwinning van het Vlaamse proletariaat op het leger van de Franse koning is hét symbool van de Vlaamse emancipatie in het verfranste koninkrijk België. Niet het minst dankzij de literatuur, want het was de historische roman De leeuw van Vlaenderen (1838) van Hendrik Conscience die in de negentiende eeuw het fundament legde voor het nationalisme van de Vlaamse Beweging. Bij Kortrijk, zo leerden generaties flaminganten, begon de victorie, en bij Conscience de moderne Vlaamse literatuur.

Ook in Het verdriet van België, dat met De Kapellekensbaan (Louis Paul Boon, 1953) strijdt om de titel `beroemdste Vlaamse roman van de twintigste eeuw', speelt het Guldensporen-nationalisme een belangrijke rol. Hugo Claus' familieroman over de oorlogsjeugd van de will-be-schrijver Louis Seynaeve is onder veel meer een studie in alledaagse collaboratie. Hordes Vlamingen heulden in de jaren '40-'44 met de bezetter, niet omdat ze geboren fascisten waren maar omdat ze in de Duitsers de kampioenen van de Groot-Dietse gedachte zagen. Anders dan in de Nederlandse oorlogsliteratuur gaat het in Het verdriet van België dan ook niet om expliciet om goed en fout of schuld en schuldgevoel. ,,Belgen hebben geen geweten'', zei Claus uitdagend naar aanleiding van zijn in 1983 verschenen zedenroman; ,,ze hebben het altijd te druk gehad met overleven.''

Claus beschrijft de vuile handen van de familie Seynaeve vanuit het perspectief van een puber die, na een verstikkende lagereschooltijd op een nonneninternaat, rommelend (en onder het uit de operette geleende motto `Toujours sourire, le coeur douloureux') de oorlog doorkomt en in 1947 zijn eerste succes als schrijver beleeft. Een autobiografie heeft hij Het verdriet van België nooit willen noemen. Ware jeugdherinneringen, zo stelde hij twintig jaar geleden in een interview met de Volkskrant, komen pas los wanneer je op late leeftijd infantiel wordt, ,,dus wacht ik [met memoires] nog een beetje tot de geest verduistert en weer naar de moedertiet verlangt.''

Het verdriet van België is gelezen als een meedogenloze afrekening met de Vlaamse hypocrisie en de katholieke kleinburgerlijkheid - een in romanvorm gegoten pendant van Jacques Brels beroemde song of hate `Les F...' Het was bepaald niet de eerste keer dat Claus zich over deze materie boog: vroege romans als De verwondering (1962) en De verzoeking (1980) zijn directe voorlopers van het magnum opus, terwijl veel van zijn andere romans de Vlaamse verstikking buiten oorlogstijd op de snijtafel leggen. Maar nooit deed hij het epischer en uitgebreider dan in Het verdriet van België; en nooit kwam zijn taal, het Clausiaans, beter tot zijn recht.

De stijl van Claus, met al zijn flandricismen en sappig dialect, is altijd onderwerp van discussie geweest. Zo ook in Het verdriet van België, dat door sommige Nederlandse critici als een oefening in nep-Vlaams werd afgeserveerd. Ten onrechte natuurlijk. De dialogen en anekdotes mogen dan geschreven zijn in wat Claus zelf omschreef als ,,een artificiële taal [...] een soort esperanto'', ze komen volkomen authentiek over zonder te zwemen naar streekromantiek. Over Conscience werd gezegd dat hij zijn volk leerde lezen; Claus leerde zijn schrijvende collega's hoe ze hun personages konden laten spreken.

Volgende week: `Dubbelspel' van Frank Martinus Arion.

Pieter Steinz: ps@nrc.nl