Kunstenaars zijn helemaal niet vrij

,,Ik heb een hekel aan nostalgie'', zegt de 76-jarige Michel Piccoli. Hij debuteerde onlangs als regisseur. Het Filmmuseum wijdt deze zomer een retrospectief aan zijn oeuvre.

In het kleinste kamertje van Paulo Branco's productiemaatschappij Gemini Films, tijdelijk voor ons ontruimd door een productieleider, wacht ik op Michel Piccoli. Hij komt tien minuten te laat, wat ik hem vooral niet kwalijk moet nemen – het verkeer in Parijs vindt hij geen pretje – maar kan toch een uur lang praten. Piccoli (76) draagt een wit linnen overhemd, is een en al voorkomendheid en interesse, en begint met de vraag of ik mijn naam wil spellen.

Het retrospectief van een kleine vijftig films in het Amsterdamse Filmmuseum (`Een zomer met Michel Piccoli: provocateur, acteur, gentleman') is hem bekend. Helaas, helaas, kan hij niet naar Nederland komen. Het is maar goed ook, vindt hij, dat niet alles vertoond wordt, bijna tweehonderd titels: ,,Compleetheid moet je nooit nastreven. Ik heb in veel historische films gespeeld. Dat klinkt misschien pretentieus, maar ik bedoel ermee dat film de tijd kan laten stilstaan. Neem nu mijn eerste echte filmrol, in Le point du jour van regisseur Louis Daquin, die allang niet meer leeft (Daquin, communistisch regisseur, 1908-1980, hb). De film geeft een tijdsbeeld (1949, hb) en een indruk van een aspect van de Franse samenleving, namelijk het leven van de mijnwerkers in het noorden. En het gaat over vakbondsstrijd, iets wat in deze vorm ook bijna niet meer bestaat. Niet lang geleden heb ik de film teruggezien. Ik ben ervan overtuigd dat ik toen een uitermate onhandig jong acteur was. Het was voor het eerst dat ik met een camera te maken kreeg, en ik had geen idee wat dat inhield. Maar ik vond het amusant, zoals ik toneelspelen ook altijd leuk heb gevonden. Ook was ik zeer geïnteresseerd in het ontdekken van streken en milieus die ik niet kende. Een van mijn kwaliteiten is een talent tot nabootsen. Ik weet niet of ik die rol goed of slecht speelde, maar ik weet zeker dat ik eruit zag als een jonge mijnwerker. Wat me het meest verbaasde, was mijn eigen opmerkzame plooibaarheid.''

Had u toen duidelijke politieke opvattingen?

,,Kent u mensen met duidelijke politieke opvattingen? Ja, als je twintig bent, misschien. In die tijd waren de tegenstellingen inderdaad duidelijk, maar ook heel ingewikkeld. Ik was gevormd, psychologisch en in mijn beroepsopvattingen, door de oorlog. Toen generaal De Gaulle zijn dramatische oproep deed aan de vrije Fransen, waarin hij zei: `U bent verraden! Volgt mij!', was ik veertien. Natuurlijk volgde ik hem, dat doe je als je veertien bent.

,,Ik kom uit een bourgeoisfamilie. Mijn beide ouders waren muzikanten, geen solisten overigens. De familie was een beetje bankroet, nadat ze eerder Algerije, Madagascar en Indochina hadden gekoloniseerd. Zelf was ik dus extreem gaullistisch. Ik had een landkaart waarop ik met rode vlaggetjes de opmars van de geallieerden aangaf en ik pleegde met een vriendje samen een soort van scholierenverzet, hoewel we echte heldendaden nooit hebben aangedurfd. ,,Zestig jaar geleden dacht en voelde ik intens links, en eigenlijk is dat nog steeds zo, ook al is alles nu veel ingewikkelder. Het zou naïef en onoprecht zijn je te fixeren op de ideologieën van destijds. Je kunt niet rechts meer zijn, zoals vroeger, en je mag ook geen communist meer zijn, zoals vroeger. En nog minder heb je het recht om extreem-links te zijn, want die hebben de opmars van de nazi's in heel Europa bewerkstelligd. Dat is nu in Frankrijk, net zoals in Holland, geloof ik, nog steeds zo.''

Heeft u heimwee naar die tijd van de duidelijke keuzes?

,,Ik heb een hekel aan nostalgie. Sindsdien hebben we al twee nieuwe oorlogen meegemaakt, de Koude Oorlog en de oorlog tegen het terrorisme. De benaming is niet toereikend, niemand weet wie de echte hoofdpersonen zijn, want die houden zich schuil. Zeker is dat de rijke landen verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van het moslimfundamentalisme. En zo staan nu de `vrije landen' tegenover de `religieuze landen', zoals in de Koude Oorlog de communistische dictaturen tegenover de kapitalistische stonden.''

Midden in die Koude Oorlog, in 1955, speelde u in de DDR een hoofdrol in een filmbiografie van de Duitse communistenleider, getiteld `Ernst Thälmann, Führer seiner Klasse'.

,,Ik was blij in de DDR een film te kunnen maken, uit een soort gevoel van `no pasaran!' (de Republikeinse strijdkreet uit de Spaanse Burgeroorlog, hb). Ik was trots op dat gevoel, ook al ben ik nooit lid van een partij geweest. Dat ligt nu ver weg.

,,Waar ik me vooral voor schaam, is het voorrecht aan zoveel rampen te zijn ontsnapt. Tijdens de Duitse bezetting werd ik veroordeeld door een tribunaal, omdat ik een verboden zone betreden had. Daardoor ontkwam ik aan deportatie. Ik had ook nog niet de leeftijd om door de Vichy-regering als militair te worden opgeroepen. Na de oorlog moest ik wel in dienst, en ik koos voor de marine, omdat je dan veel reist. Maar ik kreeg vrijstelling, omdat de klasse waartoe ik behoorde al genoeg geleden zou hebben onder de bezetting, wat overigens niet terecht was. Zo ontsprong ik steeds de dans, en zo werd ik ook een militant burger zonder partij. Politiek heeft me altijd gefascineerd en hartstocht bij me opgewekt. Wat ik niet begrijp zijn eigenschappen als lafheid, schijnheiligheid en onverschilligheid, zoals nu bijvoorbeeld ten aanzien van het stemrecht. De afgelopen verkiezingen in Frankrijk zijn vervalst, niet door manipulatie, maar door de lage opkomst. Als veertig procent van de kiezers thuisblijft, en de presidentskandidaat die in de eerste ronde 19 procent haalt uiteindelijk verkozen wordt met 82 procent van de stemmen, wat is die uitslag dan waard? De politici zijn de weg kwijt, en we worden geregeerd door economen en kooplui.''

In Manoel de Oliveira's film `Je rentre à la maison' speelt u een oudere acteur, Gilbert Valence, die je een vrij man zou kunnen noemen. Lijkt hij op u?

,,Vast wel, ja, in hoge mate. Gilbert leidt een uitzonderlijk leven, na de dood van zijn vrouw en dochter. Niemand is natuurlijk echt vrij. En wat is vrij? Gilbert is niet vrij, in de betekenis van onthecht of flierefluiter. Hij beziet zijn leven en werk met een ethische blik, houdt rekening met andere mensen, en bekommert zich om zijn kleinzoon. Vrijheid betekent iets anders voor een 18-jarige dan voor iemand van tachtig. Niemand kan zeggen wie vrijer is, de adolescent of de grijsaard. De sleutel ligt waarschijnlijk in de plicht om in elke fase voor jezelf de vrijheid opnieuw te construeren.

,,De Oliveira, nu 93 en erg jong, is de meester van het spel. Hij heeft voor Gilbert een schitterende vrijheid geconstrueerd.

,,Ik heb me vaak afgevraagd hoe er zo'n osmose kon ontstaan tussen regisseur en acteur, zonder dat we veel gepraat hebben. Ik snap nog steeds niet hoe hij het gedaan heeft, om een zo abstracte en tegelijkertijd concrete film te maken, zo emotioneel en zo weinig sentimenteel.''

Op dat moment wordt Piccoli afgeleid door geschreeuw dat via het open raam naar binnen waait. Paulo Branco, de Portugese producent van Je rentre à la maison, maar ook van de beide films die Piccoli zelf regisseerde, Alors voilà (1997) en La plage noire (2001), is iemand aan het uitfoeteren. `Notre chef!', zegt Piccoli stralend, en hij rust niet voordat hij Paulo in het kamertje heeft geroepen om zich even te laten begroeten. Tegelijkertijd houdt hij de draad van ons gesprek vast, en pikt die onmiddellijk op na de interventie van zijn producent.

Is het soort vrijheid van Gilbert Valence te vergelijken met de vrijheid van de regisseur van `Alors voilà', een film die ook aan veel regels lak lijkt te hebben?

,,Die vraag beschouw ik als een compliment, dat me aangenaam treft. Ook ik heb geleerd mijn vrijheid steeds beter te construeren, in persoonlijk, politiek en professioneel opzicht. Er wordt vaak beweerd dat kunstenaars vrij zijn, maar dat is natuurlijk onzin. Zelfs de schrijver en de componist, of de schilder zoals in La belle noiseuse, zijn niet vrij, in hun confrontatie met een leeg vel papier of een wit doek, laat staan de acteur, die altijd met zoveel andere mensen moet samenwerken. Ik heb altijd goed afgekeken hoe regisseurs werkten, in de hoop hun kunstje nog eens zelf te kunnen vertonen. En op mijn 71ste is dat voor het eerst gelukt, nadat ik iets eerder al twee korte films gemaakt had.

,,De allereerste gelegenheid was een korte film voor een mensenrechtenorganisatie, als deel van een omnibusproject dat Contre l'oubli heette. Ze hadden me gevraagd of ik in een filmpje de hoofdrol wilde spelen, en toen zag ik mijn kans schoon, door in plaats daarvan voor te stellen dat ik het zelf zou regisseren.''

Van welke regisseur heeft u het meest geleerd?

,,Van allemaal, maar als ik eerlijk ben zijn er vier die er voor mij uitsprongen: Luis Buñuel, Marco Ferreri, Claude Sautet en Jean-Luc Godard. Bij Buñuel, een goede vriend van me, speelde ik in zes films. La mort en ce jardin (1956, hb) was een van de eerste zogenaamde auteursfilms, hoewel ik me altijd verzet heb tegen het kunstmatige onderscheid tussen publieksfilms en auteursfilms, en Le fantôme de la liberté (1974, hb) was de laatste. Buñuel gaf nooit een cent te veel uit aan zijn films: niet uit zuinigheid of ascetisme, maar uit eergevoel. Met Godard heb ik maar twee films gemaakt, Le mépris (1963, hb) en Passion (1982, hb). Hij is onovertroffen in het ontwikkelen van filmische ideeën. En Ferreri en Sautet, die leken eigenlijk erg op elkaar. Algemeen wordt Ferreri door films als La grande bouffe en La dernière femme gezien als een provocateur, als iemand die graag over de schreef gaat, en Sautet als een iets te brave filmer. In feite hadden ze het over dezelfde kwesties, over liefde, werk en vriendschap, en is het belangrijkste verschil dat de een toevallig in Milaan is geboren en de ander in Montrouge, een voorstad van Parijs.''

En wat heeft u van Alfred Hitchcock geleerd? Of beschouwde hij acteurs werkelijk als vee, zoals hij zelf eens beweerde?

,,Absolute onzin, de opvatting dat Hitchcock niet van acteurs zou houden. Ik heb maar in één film van hem gespeeld (Topaz, 1969, hb), en dan ook nog in een vrij onbetekenende rol. Maar de samenwerking verliep uiterst prettig. Hitchcock had een hekel aan acteurs die overal een motivatie bij nodig hebben, en uitgebreid in discussie willen gaan over de diepere lagen van hun personage. Dat is een ziekte van de laatste vijftig, zestig jaar, en sindsdien is het acteren er niet beter op geworden. Denkt u echt dat James Cagney of James Stewart of Humphrey Bogart dat soort motivatie behoefden? En laten we wel wezen, de meeste acteurs die nu uit Hollywood komen, zijn robots.''

Zonder uitzondering?

,,Er zijn uitzonderingen, maar dat zijn er niet veel.''

Hoe kiest u zelf als regisseur uw acteurs uit, of de projecten waarin u wilt spelen?

,,Het belangrijkste is de verwachting dat ik een interessante tijd tegemoet ga tijdens het maken van een film. Scenario's doen veel minder ter zake. Ik probeer altijd het geld geen rol te laten spelen, vrij te zijn van verwachtingen over de opbrengst van een film, of die valse hiërarchie tussen commerciële en niet-commerciële films. Ik ben blij dat ik zelf niet meer produceer, zoals ik dat een tijdje wel gedaan heb, toen ik dacht dat dat de beste manier was om mezelf meer vrijheid te bezorgen. Ik ben nu blij met zo'n duivelskunstenaar als Paulo Branco, die wel zes, zeven films per jaar produceert, van grotendeels niet als commercieel beschouwde filmmakers.''

Maar wat zegt het door u geschreven scenario van `Alors voilà' nu over uw opvattingen over vrijheid?

,,Door het verhaal en de keuze van de acteurs (onder wie de Belgische zanger Arno, hb) wil ik laten zien dat vrijheid en verbeelding moeilijk te verwezenlijken zijn, maar dat er individuen zijn, geen kunstenaars maar mensen met zogenaamd nederige beroepen, die erin slagen de verbeeldingskracht en de vrijheid te omarmen.''

Dat geldt in de film alleen voor de mannen, de vrouwen lijken uitsluitend geïnteresseerd in eten en in seks.

,,U heeft gelijk, dat is mijn fout. In werkelijkheid heb ik vrouwen nooit op die manier bekeken. Het enige dat ik als excuus kan aanvoeren is de rol van het kleine meisje, geïnteresseerd in alles en met een open geest, dat een soort model vormt voor de oudere generatie. In mijn volgende film, La plage noire, komt die vriendschappelijke band van een vader en een klein meisje weer terug, maar over die film ben ik minder tevreden, die is te kil en te geconstrueerd.''

Wat deed u besluiten om tijdens het festival van Cannes, bij de première van de reconstructie van Jacques Tati's `Playtime', verkleed als Monsieur Hulot de trappen te betreden?

,,Mijn vader, die violist was, speelt een klein rolletje in Playtime. Ik ben altijd een groot bewonderaar van Tati geweest, en ik wilde degenen die verantwoordelijk waren voor de heruitbreng van de Tati-films graag een plezier doen. Toen de reconstructie van Playtime op 70mm in Parijs vertoond werd, was de zaal steeds meer dan uitverkocht. Buiten werden op de zwarte markt kaartjes verkocht. Ik bedoel maar: wat is een commerciële film? Het is dom het publiek stelselmatig te onderschatten, zoals veel van de kooplieden die de filmindustrie nu controleren, plegen te doen.''

Het retrospectief `Een zomer met Michel Piccoli, provocateur, acteur, gentleman' is tot en met 4 september te zien in het Filmmuseum, Amsterdam. Een selectie is ook te zien in Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen en Nijmegen. Het Maison Descartes in Amsterdam exposeert affiches en foto's van films met Michel Piccoli. Info: 020 5891400 en www.filmmuseum.nl.