Het nieuws van 5 juli 2002

De wereld is een grote doofpot

Het huis M. van Atte Jongstra (1956) is een uiterst curieus boek. Niets is wat het lijkt. Het is opgezet als een klassiek detectiveverhaal. We hebben een groot landhuis, een lijk, een verdachte en een politieman. Het lijk is een gruwelijk toegetakeld vrouwenlichaam, kijk, dat schiet ook al lekker op. Er staat zelfs een plattegrond van het landhuis afgedrukt in het boek, zodat al onze Cluedo-instincten op scherp komen te staan. Maar bij nader inzien is het een heel raar detectiveverhaal. Want de hoofdpersoon, Murk van M., is eigenlijk de enige verdachte van de moord. Er komen in het hele verhaal nauwelijks andere personages voor dan deze Murk, de politieman en het lijk. Agatha Christie had er zeker nog een handvol butlers en tuinmannen bijgeschreven. Al in het begin van het boek wordt bovendien duidelijk dat Murk de moord onmogelijk gepleegd kan hebben. Hij heeft het landgoed gekocht en treft het lijk aan wanneer hij het huis voor het eerst betreedt. Ondanks het feit dat Murk op het tijdstip van de moord onmogelijk ter plaatse had kunnen zijn, weet Jongstra de lezer er het hele boek lang van te overtuigen dat het op zijn minst mogelijk is dat Murk schuldig is. En het wordt allemaal nog gekker. De politieman ontwikkelt een hechte vriendschap met de enige verdachte. Kamers in het huis lijken van plaats te verwisselen. Voorvallen vallen meer dan eens voor en niet telkens op dezelfde manier. Het slachtoffer keert herhaaldelijk terug onder de levenden en verwart de gang van het politieonderzoek. Het zal dan ook niet verbazen dat de moord uieindelijk onopgehelderd blijft. Aan het einde van het boek verdwijnt de hoofdpersoon en enige verdachte uit het verhaal.

Lekker sleutelen

Met deze waarneming begint Willem Jan Otten zijn gedicht `Waterpartij', in zijn bundel Na de nachttrein (1988): `Drie yachts ter grootte van een zoon.' Grappig gezegd. Het roept meteen de moeilijk te beantwoorden vraag op: hoe groot is een zoon? Dat kan in de praktijk nogal uiteenlopen. Gelukkig laat Otten er een toelichting op volgen: `en die kwam tot mijn heupen toen.' De volgende vraag zou dan kunnen zijn: hoe groot was de dichter precies toen hij zijn waarneming deed, en zijn zijn benen verhoudingsgewijs lang of kort? Dat vermeldt het gedicht niet, maar we hebben nu toch wel een indruk: die jachten zullen ongeveer één meter hoog zijn geweest. De bootjes `stevenden af op drie stille mannen/ met antennes, maar ze liepen/ in het zicht van hun kaplaarzen/ aan de grond.' Otten heeft dus staan kijken naar drie modelbouwbootjes, type zeiljacht, radiografisch bestuurd door evenzoveel mannen die daartoe tot aan hun knieën in het water zijn gaan staan. En hij zag vervolgens: `De mannen tilden hen aan land,/ openden behoedzame luikjes in hun dek/ en peinsden over hun binnenste.' Dat heb ik altijd een mooi tafereel, en een mooi moment gevonden. De sfeer van stille mannen, behoedzame luikjes en voorzichtig peinzen, van een afstandje waargenomen en gevangen in kalme regels: alles bij elkaar is het al bijna een bescheiden monument voor de modeljachtbouwer, en meer in het algemeen voor de stille sleutelaar. Een kleine ode aan de schoonheid van het hobbysleutelen, het plezier van het peuteren en aan de ingetogen interesse voor het inwendige mechaniek.

Lekker sleutelen

Met deze waarneming begint Willem Jan Otten zijn gedicht `Waterpartij', in zijn bundel Na de nachttrein (1988): `Drie yachts ter grootte van een zoon.' Grappig gezegd. Het roept meteen de moeilijk te beantwoorden vraag op: hoe groot is een zoon? Dat kan in de praktijk nogal uiteenlopen. Gelukkig laat Otten er een toelichting op volgen: `en die kwam tot mijn heupen toen.' De volgende vraag zou dan kunnen zijn: hoe groot was de dichter precies toen hij zijn waarneming deed, en zijn zijn benen verhoudingsgewijs lang of kort? Dat vermeldt het gedicht niet, maar we hebben nu toch wel een indruk: die jachten zullen ongeveer één meter hoog zijn geweest. De bootjes `stevenden af op drie stille mannen/ met antennes, maar ze liepen/ in het zicht van hun kaplaarzen/ aan de grond.' Otten heeft dus staan kijken naar drie modelbouwbootjes, type zeiljacht, radiografisch bestuurd door evenzoveel mannen die daartoe tot aan hun knieën in het water zijn gaan staan. En hij zag vervolgens: `De mannen tilden hen aan land,/ openden behoedzame luikjes in hun dek/ en peinsden over hun binnenste.' Dat heb ik altijd een mooi tafereel, en een mooi moment gevonden. De sfeer van stille mannen, behoedzame luikjes en voorzichtig peinzen, van een afstandje waargenomen en gevangen in kalme regels: alles bij elkaar is het al bijna een bescheiden monument voor de modeljachtbouwer, en meer in het algemeen voor de stille sleutelaar. Een kleine ode aan de schoonheid van het hobbysleutelen, het plezier van het peuteren en aan de ingetogen interesse voor het inwendige mechaniek.