Werken met de wereld aan je voeten

Waar de grond duur is, wordt in de hoogte gebouwd. Behalve in Nederland. Hier komt hoogbouw vanuit de behoefte aan prestige.

Wolkenkrabbers zijn `machines die voor de grond betalen', beweerde de Amerikaanse architect Cass Gilbert in 1900. Hoogbouw was volgens hem niets anders dan een economische noodzaak: een duur stuk grond kon alleen rendabel worden gemaakt door er een groot verhuurbaar vloeroppervlak op te bouwen. Dertien jaar later liet Gilbert met het Woolworth Building zien dat zo'n machine die voor de grond betaalt ook mooi kon zijn. Met zijn ruim 242 meter zou deze schitterende neogotische toren tot 1931 het hoogste gebouw van New York blijven.

Inmiddels kan overal op de wereld het gelijk van Cass Gilbert worden vastgesteld. Overal waar de grond duur is, zijn de gebouwen omhooggeschoten. In Hongkong, een stad die al lange tijd torenhoge grondprijzen kent, is sinds jaar en dag alles wat gebouwd wordt hoog, heel hoog zelfs. In de Londense City, waar de grond het duurst van heel Engeland is, worden nooit lage gebouwen neergezet. Hetzelfde geldt voor Frankfurt, de stad van de Europese Bank van Wim Duisenberg, waar alle banken een vestiging willen hebben.

Maar er bestaan uitzonderingen op de regel dat alleen op dure grond wolkenkrabbers omhoog schieten en Nederland is er hier een van. Internationaal gezien zijn de grondprijzen in Nederland nog altijd laag. Zelfs op de felstbegeerde plekken, zoals de Zuidas in Amsterdam, is de grondprijs een fractie van die in bijvoorbeeld Hongkong. Vastgoeddeskundige Wabe van Enk schrijft in het boek Hoogbouw in Nederland dan ook dat Nederland eigenlijk geen `schaarstelocatie' kent: er is in dit land niet één plek waar alle bedrijven willen zitten. ,,Nederlandse bedrijven liggen sterk verspreid'', schrijft hij. ,,De wortels van veel bedrijven liggen van oudsher niet in de hoofdstad.''

Pas in de toekomst zal Nederland plekken kennen waar de grond zo duur is dat hoogbouw economisch noodzakelijk wordt, voorspelt Van Enk: ,,Wereldwijde concurrentie dwingt steeds meer ondernemingen rekening te houden met hun vestigingsplaats en met de uitstraling van het onroerend goed. Dit biedt kansen voor hoogwaardige hoogbouw met bijbehorende huurprijzen. In Nederland zal dit type `schaarstelocatie' pas in de toekomst ontstaan.''

In Nederland speelt de grondprijs dan ook een ondergeschikte rol bij hoogbouw. Het hoogste gebouw van Nederland, Delftse Poort (151 meter) bij het Rotterdamse Centraal Station is bijvoorbeeld gebouwd op grond die Nationale Nederlanden voor een prikkie kon krijgen van de gemeente, omdat zij het verzekeringsbedrijf graag in de stad wilde houden. Sterker nog, de grondprijs is in Nederland eerder een rem dan een stimulans op hoogbouw: wie hoog bouwt, moet in Nederland juist vaak extra betalen voor de bouwgrond. Op veel plekken in Nederland, zoals in Amsterdam en in Haarlem, stijgt de prijs van de grond evenredig met de bouwkosten van het gewenste pand. Zo zijn wolkenkrabbers op veel plekken in Nederland geen `machines die de grond rendabel maken', maar `machines die de grond duurder maken' en zo de kas van de grondeigenaren spekken.

Toch is Nederland de laatste jaren overspoeld door gebouwen die hoger zijn dan 60 meter. Rotterdam, de wolkenkrabberhoofdstad van Nederland, kreeg er de laatste jaren de Millenniumtoren (131 meter), World Port Center (124 meter) en de Wilhelminatoren (89 meter) bij. Na het succes van de Rembrandttoren (135 meter) bij het Amstelstation in Amsterdam werden onlangs in de nabijheid nog twee wolkenkrabbers voltooid: de Mondriaantoren (119 meter) en de Breitnertoren (95 meter). De omgeving van de Arena, het nieuwe Ajaxstadion in Amsterdam dat zelf al een forse hoogte van 75 meter heeft, was al een gebied met veel hoogbouw en kreeg daar onlangs onder meer de Arena Office Tower A (85 meter) bij. In Den Haag verrees de laatste jaren bij het Centraal Station een hele nieuwe wijk met torens, waarvan Castalia met 104 meter de hoogste is.

De wolkenkrabbers schieten niet alleen in de Randstad omhoog, maar ook daarbuiten. In Eindhoven bijvoorbeeld werd in 1999 de Regent voltooid, een toren van 96 meter. Tilburg kreeg al in 1996 het Interpoliskantoor van 92 meter en een jaar later twee woontorens van 60 meter. In Leeuwarden verrees de Achmeatoren van 115 meter en in Vlissingen verscheen de Sardijntoren van 85 meter.

Bovendien staan er voor de komende jaren overal wolkenkrabbers op stapel. In Rotterdam bestaan plannen, bij de Euromast, voor de Parkhaventoren van 392 meter en nog vele andere, lagere wolkenkrabbers. Amsterdam gaat langs de Zuidas een heel nieuw stadsdeel bouwen, dat gedomineerd zal worden door wolkenkrabbers: de eerste vijf torens, die nu in de ontwerpfase zijn, variëren in hoogte van 85 tot 100 meter. Terneuzen krijgt een Waterfronttoren van 75 meter en in Tilburg zal de Westpoint-toren van 135 meter het Interpolis-gebouw in hoogte overtreffen.

Al deze Nederlandse wolkenkrabbers zijn het gevolg van minder rationele overwegingen dan die van kosten. De Freudiaanse omschrijving van wolkenkrabbers als erecties van het kapitaal is wat overdreven, maar zeker is dat kantoortorens én woontorens staan voor macht. Prestige is de belangrijkste drijfveer voor hoogbouw in Nederland, niet alleen van ondernemingen maar ook van bewoners en stadsbesturen. Een wolkenkrabber is van verre zichtbaar en dus nadrukkelijk aanwezig en geeft de bewoners en gebruikers van de hogere verdiepingen het gevoel dat de wereld aan hun voeten ligt. Torenbewoners en -gebruikers zijn letterlijk en figuurlijk `on top of the world'. Daarom zitten de directies van ondernemingen altijd op de hoogste verdiepingen van hun kantoortorens. En daarom ook zijn met het woord penthouse begrippen als rijkdom en luxe verbonden.

Niet toevallig begon de explosie van Nederlandse hoogbouw in de jaren negentig, het tijdperk van de ongekende economische groei in Nederland. In deze jaren, die door cultuurpessimisten wel worden omschreven als het decennium van het grote slempen, legden de Nederlanders hun schroom af om hun weelde en macht te tonen. Eindelijk mochten ook Nederlanders boven het maaiveld uitsteken en dus lieten ze overal onbeschroomd hoge torens bouwen.

Er bestaan ook wel stedenbouwkundige rechtvaardigingen voor Nederlandse wolkenkrabbers, maar die zijn van minder belang dan de prestige- en machtsoverwegingen. Sommige architecten en stedenbouwkundigen presenteren hoogbouw als dé oplossing voor het bouwen in een vol land als Nederland. Een extreem voorbeeld hiervan is het voorstel van het Rotterdamse architectenbureau MVRDV om de dertien miljoen varkens in Nederland onder te brengen in 44 flats van meer dan 600 meter hoogte. De rest van Nederland zou dan helemaal vrij van varkensstallen kunnen zijn.

De Stichting Hoogbouw propageert al achttien jaar hoogbouw als het middel bij uitstek voor het verkrijgen van wat architecten `stedelijkheid' noemen. De Nederlandse buitenwijken met hun rijtjeshuizen zijn niet dicht genoeg bebouwd om een stedelijk gevoel te krijgen, zo is het idee van de Stichting Hoogbouw. Woon- en kantoortorens met de bijbehorende concentratie van bewoners en gebruikers kunnen wel zorgen voor een grootstedelijke drukte.

Te oordelen naar de nieuwe Nederlandse buitenwijken heeft het pleidooi van de Stichting Hoogbouw redelijk succes: veel Vinex-wijken krijgen een paar woontorentjes. Ook in de oudere buitenwijken worden steeds meer wolkenkrabbers neergezet. In de suburb Zoetermeer bijvoorbeeld wordt dit jaar begonnen met de bouw van de Hollandse Meester, een toren van 168 meter.

Een laatste reden om wolkenkrabbers te bouwen is dat ze een gevoel van `moderniteit' oproepen. New York, de hoofdstad van de twintigste eeuw, is nog steeds het universele voorbeeld van de moderne stad. Een moderne stad is een stad met een skyline en dus neemt ieder stadsbestuur over heel de wereld het ferme besluit wolkenkrabbers te laten bouwen als het zich wil ontdoen van een slaperig provinciaals imago.

In Nederland was Rotterdam de eerste stad die zich in de jaren tachtig begon te tooien met wolkenkrabbers en zich trots de naam `Manhattan aan de Maas' aanmat. Veel Nederlandse steden volgen inmiddels dit voorbeeld. Zelfs Almere, de Nederlandse versie van Los Angeles en daarom het volkomen tegendeel van New York, heeft al een aantal woontorens gekregen. Volgend jaar moet bij het station de Eurotoren zijn voltooid, de eerste van een serie torens die Almere ongetwijfeld de bijnaam `Manhattan aan het IJsselmeer' zullen opleveren.