Rotterdamse dansstudenten vallen op door kwaliteit

Vier programma's in deze editie van het Internationaal Theaterschool Festival waren gewijd aan de dans. Bij twee daarvan lag het accent op de uitvoerenden, dat was althans de bedoeling. En bij de andere twee stond het eigen werk van de studenten centraal. Hoewel het natuurlijk altijd zeer lovenswaardig is om het eventueel aanwezige choreografische talent in een zo vroeg mogelijk stadium te koesteren en te stimuleren, rijst toch de twijfel of met al dat koesteren en stimuleren zoals dat nu gebeurt de danskunst wel gediend is. Want wat er te zien was aan creatieve ideeën en het vermogen en vakmanschap om daar vorm aan te geven was niet erg bemoedigend. Integendeel, het was droefmakend.

Er werd veel gelopen, over de grond gerold, gevallen, tegen elkaar geleund, getild, gesjord en gesleept met wat slordig uitziende lichamen. Er werd veel met armen gemaaid en gegesticuleerd en er is duidelijk in compositielessen aandacht besteed aan hoe ruimte kan worden ingedeeld en belicht. Maar gedanst wordt er weinig en van een interessante bewegingsopbouw of emotioneel dramatische spanningsboog is nauwelijks sprake.

Dieptepunt was voor mij de bijdrage van P.A.R.T.S., de in Brussel gevestigde school van Anne Teresa Dekeersmaeker. Met vier stukken overdreven rijkelijk vertegenwoordigd leken de makers net de cursus koprollen voor- en achterover, vierkantjes lopen en standjes bedenken achter de rug te hebben.

Het meest ontdaan van interessantdoenerij was nog het duet van de Tsjechische Jana Hudeckova uit Praag dat door zijn eenvoud en integere en beheerste vertolking een zekere spanning meekreeg. En het vooral mimisch getinte aandeel van de Amsterdamse theaterschoolafdeling voor moderne theaterdans toonde tenminste nog iets van een relativerende humor.

Het lijkt me zaak om in de toekomst wat minder gericht te zijn op al die eigen creaties van studenten die zich nog maar kort met het dansvak bezig houden, en wat meer de uitvoerende kwaliteiten te belichten. Want ook in de zogenaamde dansprogramma's leek de aandacht toch weer vooral naar de choreografische inbreng te zijn uitgegaan.

Het eerste dansprogramma lieten studenten van het Laban Center in Londen zien. Gedisciplineerde schoolse dansers met een beperkte danswoordenschat, hoofdzakelijk bestaande uit soepele oogforcerende bewegingen. Datzelfde kan gezegd worden van de vertegenwoordigers in Finland. Buitenbeentje was het optreden van de dansacademie van Lucia Marthas, een erkende maar niet gesubsidieerde opleiding in Amsterdam. De pittig gezongen en gepresenteerde musicalfragmenten werden geïllustreerd met voorspelbare brutaal sexy standjes en prominent been- en billenvertoon.

Het tweede dansprogramma had wat meer te bieden. Tussen de optredens van de moderne theaterdansopleidingen van Tilburg, Amsterdam en Rotterdam viel opnieuw Rotterdam op door de kwaliteit die de studenten aan hun dansen weten te geven. Hun bewegingen hebben en houden precisie, ze zijn zich bewust van lijnen in de ruimte binnen en buiten hun lichaam, weten dynamische verschillen aan te brengen en hebben een ongeforceerde presentatie. Het festival moet zich echt gaan beraden op wat zij met dans wil of welk facet zij van de dansopleidingen in het vaandel wil dragen. Waar waren bijvoorbeeld de vertegenwoordigers van de klassieke balletopleidingen, of wordt die dansrichting niet meer als relevant beschouwd?

Voorstellingen: Vier dansprogramma's in het Internationaal Theaterschool Festival. Gezien: 20, 25 en 27 juni in de Philip Morriszaal en Frascati in Amsterdam.