Overgang 3

In `Bloed, zweet en tranen' (W&O, 15 juni) meldt Jannetje Koelewijn als terloops dat tachtig procent van de vrouwen in de overgang last heeft van overgangsverschijnselen als opvliegers. De teneur van het artikel is: het is normaal dat je gebukt gaat onder de hormoonschommelingen in deze fase, en de vraag is of je dit lijden met de tanden op elkaar ondergaat, dan wel je laat helpen met medicijnen.

Wie zich echter verdiept in onderzoek over dit onderwerp (zoals ik recent deed voor een artikel in Psychologie Magazine) beseft dat de zaak heel anders ligt: verreweg de meeste vrouwen tussen 45 en 55 jaar hebben hoegenaamd geen last van de overgang. Twintig procent merkt er zelfs helemaal niets van. Tachtig procent meldt wel eens geconfronteerd te worden met plotselinge temperatuurschommelingen, maar voor ruim de helft van hen betekent dat niet meer dan dat zij het tijdelijk, af en toe, eventjes erg warm hebben. Slechts een zeer klein percentage vrouwen lijdt zozeer onder de hormonale veranderingen dat medische hulp nodig is. Depressies komen op deze leeftijd veel minder vaak voor dan bij jongere vrouwen en duren minder lang.

Zelfs in Amerika, waar alles draait om jeugd en een sexy uitstraling, rapporteerde 70% van 2.500 ondervraagde vrouwen in de overgang vooral opluchting. Australisch onderzoek wees uit dat libidoverlies en droge vagina sterker samenhangen met de kwaliteit van de partnerrelatie dan met hormonen: een nieuwe, attente minnaar doet alle klachten als bij toverslag verdwijnen. Self-fulfilling prophecy werkt op dit terrein sterk; vrouwen die de overgang vrezen, krijgen meer klachten dan de nuchteren onder ons.