Onderaan de wachtlijst

Voor de snelgroeiende onderzoeksgroep van oncoloog Clevers is amper nog plaats in het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Ook elders loopt de spanning op.

Kankeronderzoeker prof.dr. Hans Clevers staat op het punt om met zijn voltallige onderzoeksgroep van 30 man van het Universitair Medisch Centrum Utrecht over te stappen naar het Hubrechtlaboratorium voor ontwikkelingsbiologie, ook in Utrecht. ``Het fundamentele onderzoek raakt door de fusies tussen medische faculteiten en ziekenhuizen ondergesneeuwd'', meldt Clevers. ``Doordat niet langer een decaan maar een ziekenhuisdirectie nu beslissingen neemt, moet het fundamenteel onderzoek direct concurreren met maatregelen om bijvoorbeeld de wachtlijsten in de zorg op te lossen. Dat kan natuurlijk niet.''

Clevers heeft zijn sporen verdiend met het onderzoek naar de moleculaire oorzaken van het ontstaan van darmkanker. Een half jaar geleden ontving hij de Spinozapremie van anderhalf miljoen euro.

Clevers wil nu weg bij het ziekenhuis omdat hij ``een groot deel van de dag zit te vergaderen.'' Door voortdurende uitbreidingen van zijn afdeling is die verspreid over zeven locaties, maar ondanks herhaaldelijke verzoeken om daar wat aan te doen, kreeg herhuisvesting geen prioriteit. ``Door de druk op de zorg en de fusies komt het fundamentele onderzoek in het gedrang. Als bijvoorbeeld een laboratorium voor bloedbepaling niet helemaal aan de regels voldoet, krijgt dat voorrang op het budget. Het fundamenteel onderzoek komt op de laatste plaats. Het ziekenhuis dient twee belangen. Het Hubrechtlaboratorium heeft maar één doel: toponderzoek uitvoeren.'' Clevers wil er, naast de huidige directeur van het Hubrechtlaboratorium prof.dr. Ronald Plasterk, mededirecteur worden. In het laboratorium werken nu ruim zeventig mensen. Plasterk verwelkomt Clevers en de zijnen, ``en van mij mag hij best mededirecteur worden.''

Prof.dr. Hans Stoof is decaan Geneeskunde en vice-voorzitter van de Raad van Bestuur UMC Utrecht. Hij betreurt het vertrek van Clevers, maar heeft er begrip voor. ``Als ik in zijn schoenen had gestaan had ik misschien hetzelfde gedaan. Clevers genereert zoveel onderzoekssubsidies en zijn groep groeit zo snel, dat het voor ons moeilijk is al die nieuwe mensen te accomoderen. Het is makkelijker projecten gehonoreerd te krijgen dan om laboratoriumruimte te vinden. Clevers moet geld laten liggen als hij zijn groep niet kan uitbreiden. Hij blijft overigens binnen het Utrecht Academisch Biomedisch Cluster met ons samenwerken. Het is dus geen drama.''

Stoof is het pertinent oneens met Clevers dat het UMC Utrecht te weinig aandacht voor onderzoek zou hebben. ``Dit is aantoonbeer onjuist. We hebben de laatste twee jaar fors moeten bezuinigen, maar we hebben het onderzoek en onderwijs daarbij volledig ontzien. We hebben bovendien plannen om de ruimte voor onderzoek en onderwijs uit te breiden. Daar zit enige traagheid in.''

Angst

Ook elders in Nederland speelt het probleem dat het biomedisch onderzoek samen met de patiëntenzorg onder de verantwoordelijkheid van één Universitair Medisch Centrum valt. Zo concreet als in Utrecht zijn de problemen vaak nog niet, maar overal leeft de angst bekneld te raken door het primaat van de patiëntenzorg.

In Groningen bijvoorbeeld, waar de fusieperikelen tussen medische faculteit en ziekenhuis nog in volle gang zijn, is de onafhankelijkheid van het fundamentele onderzoek een heikel punt. Afgelopen donderdag besloot de Groningse universiteitsraad een beslissing over het nieuw te vormen Universitair Medisch Centrum aan te houden tot na de zomer, omdat men het niet eens kon worden over de facultaire inbreng in dit nieuwe centrum. De fundamentele (`preklinische') onderzoekers willen twee vertegenwoordigers in het nieuwe bestuur, om hun positie te garanderen.

Prof.dr. Albert Gramsbergen, hoogleraar medische fysiologie en voorzitter van de faculteitsraad Geneeskunde in Groningen maakt zich ernstige zorgen: ``Er is een groot cultuurverschil tussen enerzijds het doen van onderzoek en het geven van onderwijs en anderzijds de zorg voor patiënten. Beiden hebben een volstrekt andere besluitsstructuur, waarbij de ziekenhuizen hiërarchisch georganiseerd zijn en de faculteiten toch meer een platte structuur kennen. Een UMC heeft zeker een meerwaarde, het is een vloeiender organisatie. Maar we willen wel de positie van het onderzoek waarborgen.''

Bij het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam is de fusie die in 1998 in gang werd gezet, juist heel soepel verlopen. Onderzoeker moleculaire stralengenetica dr. Ronald Kanaar spreekt van een prima samenwerking: ``De integratie op het gebied van onderzoek was al een feit voordat dit op bestuurlijk niveau werd vastgelegd, dus dat ging vanzelf. Ik maak me wel een beetje zorgen over de plannen voor nieuwbouw, waarbij al is geroepen dat `de patiënt centraal moet staan'. Aan de andere kant luidt de belangrijkste missie van onze instelling `het vergaren van een hoge kennisontwikkeling'.''