Lerarentekort is het echte probleem in het onderwijs

Het valt te hopen dat Leo Prick niet de volgende minister van Onderwijs zal zijn. Met hem gaat het onderwijs niet vooruit, maar eerder achteruit. Prick verlangt terug naar de tijd toen het onderwijs nog overzichtelijk was met de ambachtsschool en de mulo voor `het gewone volk' en de HBS of het gymnasium voor `de betere standen' (Opiniepagina, 22 juni). Volgens Prick is de Nederlandse naoorlogse onderwijspolitiek steeds gedomineerd door het streven naar de culturele verheffing van de arbeider. Hij hekelt de invoering van de basisvorming en de recente samenvoeging van het voorbereidend beroepsonderwijs met het mavo tot het vmbo. Daarmee werd ontkend ,,dat er een categorie leerlingen bestaat voor wie alleen heel ander onderwijs dan het algemeen vormende het meest geschikt en ook het hoogst haalbare is'', aldus Prick.

Kletskoek! De problemen liggen niet bij de leerling, maar bij het onderwijs. De grootste boosdoener is het lerarentekort. Vooral op scholen in achterstandswijken van grote steden is sprake van een nijpend tekort, waardoor ze onvoldoende aandacht aan `zwakke' leerlingen kunnen geven. Ook voldoen zij vaak niet aan elementaire eisen van leerstof en didactiek. Dat blijkt uit het Onderwijsverslag 2001, dat de Onderwijsinspectie half april publiceerde. Dat heeft alles te maken met een falend onderwijsbeleid, en niets met de culturele verheffing van de arbeider.

Jarenlang is een hapsnapbeleid gevoerd, een beleid van pappen en nathouden, van hier een experimentje en daar een regeltje, zonder veel visie. Veranderingen werden veelal gepresenteerd als vernieuwingen, terwijl het in de meeste gevallen ordinaire bezuinigingen waren. Het onderwijs was de speelbal van een politiek die niet het publieke belang, maar de belangen van het privé-kapitaal diende. De laatste decennia is nauwelijks een constructieve onderwijspolitiek gevoerd.

Dat het huidige onderwijs niet meer voldoet aan de eisen die deze tijd stelt, blijkt elke dag opnieuw. Het aantal jongeren dat het onderwijs zonder diploma verlaat, neemt nog steeds toe. Ook het aantal leraren dat ander werk zoekt en vindt, groeit gestaag. Werkdruk, beloning en de geringe promotiemogelijkheden spelen bij dat laatste een belangrijke rol. Het tekort aan leerkrachten is dan ook het grootste probleem in het huidige onderwijs. En de verwachting is dat het tekort de komende jaren nog zal toenemen, want de animo voor een baan in het onderwijs onder gediplomeerde schoolverlaters is gering.

Toch moeten we niet al te somber zijn. De huidige problemen kunnen de broodnodige vernieuwing in het onderwijs versnellen, bijvoorbeeld meer en snellere toepassing van nieuwe technologie in het onderwijs. Met meer moderne computers in de scholen zal het onderwijs radicaal veranderen. Van `confectieleren' naar `leren op maat'. Leerlingen zullen in staat worden gesteld in hun eigen tempo te leren en te werken. De klassenstructuur, ingevoerd bij de opkomst van de industriële samenleving in de negentiende eeuw en nog steeds dominant aanwezig, moet verdwijnen.

Leerlingen bepalen straks (voor een deel) zelf waar ze in school (of eventueel thuis) gaan leren en wat ze van het voorgeschreven programma op een bepaald tijdstip gaan doen. De computer maakt dat mogelijk. Met vragen moeten ze terecht kunnen bij de leraren. Controle op hun vorderingen kan in het programma worden ingebouwd. Dat geeft leraren meer ruimte voor andere taken zoals de begeleiding van zwakke leerlingen, waardoor ook het werk van leraar aantrekkelijker wordt.

De scepsis van veel leraren dat leerlingen niet zelfstandig kunnen leren en werken, wordt bijvoorbeeld gelogenstraft door het feit dat leerlingen wat betreft ICT vaak meer weten dan ze op school hebben geleerd. Buitenschools leren wordt steeds belangrijker, vooral dankzij de computer. Met meer computers, in nieuwe of aangepaste gebouwen, wordt zelfstandig leren ook op school aantrekkelijk. En dat is nodig, want in het onderwijs van de toekomst zal minder aandacht worden besteed aan feitenkennis, en meer aan het omgaan met informatie en het oplossen van problemen.

Als we alle kinderen de mogelijkheid willen geven om hun talenten zoveel mogelijk te ontplooien, moet de selectie aan het einde van de basisschool verdwijnen. Ook moet de heterogene brugklas weer in ere worden hersteld. En het vmbo moet één school worden. Het opgaan van de mavo in het vmbo moet worden verplicht. Pas aan het eind van de basisvorming, na het tweede of na maximaal het vierde jaar, zal er een advies moeten komen voor welk niveau vervolgonderwijs de verschillende leerlingen geschikt zijn.

www.nrc.nl/opinie: artikel Leo Prick

Drs. J. Sintnicolaas is onderwijssocioloog.