Kloeloeloe, prrrrrr, klik!

Een Nederlandse expeditie ging op zoek naar het uitgestorven gewaande Bruijns boshoen in Irian Jaya. Een kop, wat botjes en een geklok in de nacht.

Op een steile berghelling in het oerwoud van Waigeo, een eiland bij Irian Jaya, vonden de onderzoekers Kees Heij en Hans Post een kolossale hoop bladeren: manshoog en zeven meter lang. ``Het was duidelijk een broedhoop van een grootpoothoen'', vertelt de Rotterdamse bioloog Heij. ``Die vogels broeden hun eieren niet zelf uit, maar begraven ze in zand of bedekken ze met bladeren. Daaronder worden ze uitgebroeid.'' Roerloos hurkten de mannen neer, uren door de invallende schemer turend of zich niet een boshoen, hopelijk zelfs het uitgestorven gewaande Bruijns boshoen, bij de broedhoop vervoegde om een ei te leggen. Er gebeurde niets.

Toen het donker was glibberden ze naar beneden en sloegen ze hun kamp op bij de beek, waar hun gids, de jager Meki Awom, twee maanden eerder een Bruijns boshoen had gevangen. Plotseling weerklonk een hoenderachtig geklok door het bos. ``Een ons volkomen onbekend geluid'', vertelt Heij, ``waarvan onze gids beweerde dat het de door ons gezochte vogel was. Het was een soort kloeloeloe, gevolgd door een triller van hoog naar laag, afgesloten met een tik. Ik was te laat met mijn bandrecorder. Om drie uur 's nachts klonk het weer. Ik was meteen wakker, maar weer te laat voor een opname. Daarna hoorden we het niet meer.''

Heij en Post hadden er een urenlange voettocht door de verstikkend hete, bergachtige wildernis opzitten. Dit was de plek waar Meki Awom twee maanden eerder, in december 2000, aan het jagen was, toen zijn jachthonden een boshoen beten en opjoegen. De vogel fladderde uit het struikgewas en plonsde vlak voor de voeten van Awom in de beek. De jager draaide het dier de nek om en nam het mee. Terug in zijn desa liet de jager zich de kalkoen-achtige vogel uitstekend smaken, toen een dorpsgenoot hem eraan herinnerde dat er een jaar geleden twee Hollanders naar een boshoen hadden gezocht, dat wel heel sterk op deze jachtbuit leek. Hij toonde de afbeelding die de Orang Belanda hadden achtergelaten. De jager zette de kop en afgekloven botten op alcohol en bracht ze naar Kris Tindige, de contactpersoon van Heij en Post in Sorong, West-Papoea.

Gedroogde huid

De vogelaar en gids Tindige, die Heij op twee eerdere expedities in Irian Jaya had begeleid, was ervan overtuigd dat hij de resten van het als uitgestorven te boek staande Bruijns boshoen had bemachtigd. Hij stuurde een e-mail naar Nederland. Hij durfde de vogelkop en botjes niet op te sturen, maar wilde ze alleen meegeven aan iemand die een door Heij of Post ondertekend verzoek kon tonen. Heij en Post boekten liever zelf een vlucht en reisden gespannen naar Sorong. Was het echt een Bruijns boshoen? Of had hij de resten van een ander grootpoothoen te pakken? Na zijn tweede expeditie naar het eiland Waigeo, waar hij gezocht had naar deze mysterieuze vogel, had Heij het Bruijns boshoen opgegeven. Wel vijftien tot twintig expedities van anderen waren hem voorgegaan, de laatste in 1993. Het is de enige van de 22 soorten grootpoothoenders die nog nooit in levenden lijve door westerlingen is gezien. In 1939 was een gedroogde huid uit Waigeo naar Amerika gestuurd: de laatste waarneming van het Bruijns boshoen sinds de Nederlandse verenhandelaar Bruijn de vogel in 1880 ontdekte. Bruijn exporteerde veren naar Europa voor de dameshoedenmode. Van de 23 in musea bewaarde gedroogde of opgezette Bruijns boshoenders zijn er 22 door Bruijns jagers verzameld.

Met foto's van de zeven hoenders, die Post en Heij in het natuurmuseum van New York hadden gemaakt, en plaatjes en gegevens van verwante soorten, bestudeerden zij de kop, de botten en nagels die van het boshoen resteerden.

``En het bleek hem echt te zijn'', zegt Heij enthousiast. De weeïg zoete lucht van dood vlees op alcohol prikkelde zijn neus toen Post de pot opendraaide en de kop er met twee vingers uit viste. ``Twaalf centimeter van snavelpunt tot nek, dat klopte met de museumvogels. Maar het belangrijkste kenmerk was de lel die onder aan de hals bungelt.''

Ook de botten bleken overeen te komen met röntgenfoto's van botten uit musea, voorzover die er zijn. De museumboshoenders zijn namelijk balgen: opgevulde huiden waar niet zoveel bot meer in zit. ``Wij hebben nu meer verschillende Bruijns boshoen-botjes dan wie ook'', zegt Heij. Maar botten en een kop zijn nog geen hele vogel, laat staan een levende.

Heij kwam in het gebied terecht toen hij het biologiecurriculum aan de universiteit van Ambon mocht ontwikkelen. Op suggestie van voormalig Blijdorp-directeur Van Bemmel, die jaren op Java werkte, ging de biologiedocent naast zijn werk op zoek naar het Moluks grootpoothoen, dat op Ambon voor zou kunnen komen. Er werden tot zijn verbazing grootpoothoendereieren op de markt verhandeld.

Van Bemmel had ook iets gezegd over een mogelijk uitgestorven vliegenvanger, de Monarcha boanensis. Van deze vogel was niets meer vernomen sinds er in 1917 één op het eiland Boano geschoten was. Voor het vak natuurbescherming nam Heij een groep studenten mee naar dat eiland. ``De eerste keer verkenden we relatief toegankelijk terrein, vertelt hij. ``We vonden niets. De tweede keer deden we het moeras: weer niets. De derde keer moesten we de bergen en in een restant primair bos vonden we een kleine populatie.''

Kleurentekening

Toen in de Molukken onlusten uitbraken week Heij, inmiddels fulltime op zoek naar uitgestorven vogels, uit naar Irian Jaya. Want daar zou Bruijns boshoen nog kunnen leven op Waigeo moest leven, het enige eiland waar de vogel ooit gevonden was. Met Post trok Heij hij met een prauw langs de dorpen aan de tachtig kilometer lange baai die Waigeo bijna in tweeën deelt: in elke desa lieten ze een kleurentekening van het hoen achter, met het verzoek eventuele vondsten te melden aan Kris Tindige in Sorong. ```Ja hoor', zeiden ze dan, die is er nog'', vertelt Heij, ``maar nooit in de buurt, ze verwezen altijd naar een ander dorp. Ze zeggen daar nou eenmaal graag dat wat jij wilt horen. Op den duur geloofden we het niet meer.''

En passant wilden de avonturiers uitzoeken of de Juliana-vliegenvanger nog bestond. Die vogel was in de jaren vijftig ontdekt op het eiland Koffiau en naar koningin Juliana vernoemd, en was in 1986 nog één keer waargenomen. ``We voeren in een prauw naar dat eiland'', herinnert Heij zich, ``en beklommen toevallig de juiste berg: rond de top zagen we er tientallen. Maar ze zaten in de boomkruinen en we hadden niet de middelen er één te vangen voor onderzoek.''

Informatie: Stichting Moluccan and Papuan Wildlife Conservation Ecoguide Fund, Frans de Jong, Hendrikskade 54, 3314 ZM Dordrecht. tel. 078-6137317.