J.M. Coetzee en de gevaarlijke schrijver (2)

Is het vertellen van verhalen intrinsiek goed? Dat is de vraag die de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee twee weken geleden aan de orde stelde op de Nexus-conferentie over het kwaad, in (wat anders?) een nieuw kort verhaal.

Daarin liet Coetzee zijn hoofdpersoon Elizabeth Costello een oudere schrijfster en essayiste die hij wel vaker gebruikt als spreekbuis over controversiële onderwerpen tot het besef komen `dat er bepaalde dingen zijn die niet goed zijn om te lezen, of om te schrijven'. Zij trekt deze conclusie na het lezen van een roman over het Von Stauffenberg-moordcomplot op Hitler, waarin de auteur, een zekere Paul West, gedetailleerd beschrijft hoe de samenzweerders door ophanging worden omgebracht. Costello voelt zich beschadigd, zelfs besmet, door wat ze heeft gelezen. Sommige dingen, denkt ze, kunnen beter niet opnieuw tot leven worden gewekt; sommige dingen kunnen beter voor eeuwig bedekt blijven.

Het is een opvallend uitgangspunt voor een schrijver als Coetzee, of hij het nu laat verwoorden door een fictief personage of niet. Juist Coetzee heeft als geen ander in zijn werk fysiek lijden (van mens óf dier) en wreedheid (van de mens alleen, natuurlijk) aangekaart. In zijn roman Waiting for the Barbarians bijvoorbeeld komt een martel- en hangscène voor die niet zou misstaan in het boek van Paul West. En in Coetzee's laatste roman, Disgrace, beschrijft hij hoe de hoofdpersoon in brand wordt gestoken. Betekent dit nu dat de schrijver opeens radicaal van gedachten is veranderd over wat hij in zijn eigen romans kan en mag bewerkstelligen, en met welke middelen? Heeft zijn literatuuropvatting een draai gemaakt van 180 graden?

Voor Elizabeth Costello lijkt dat wel het geval te zijn. Het zijn niet de feiten in het boek van Paul West die haar tegenstaan; de feiten over het moordcomplot tegen Hitler waren haar al lang bekend. Ze heeft vooral bezwaar tegen de grafische details die de gebeurtenis weer tot leven lijken te wekken. Dat is weliswaar gewoon de taak van de schrijver, inerte materie tot leven wekken, en dat heeft ze zelf vaak genoeg gedaan, maar Costello is er nu van overtuigd geraakt dat `je er niet zonder kleerscheuren vanaf kunt komen, als schrijver, wanneer je zulke scènes bedenkt'. Ze meent dat schrijven als een `moreel avontuur' schadelijk kan zijn voor schrijver en lezer.

Hoe? Het eerste antwoord dat Coetzee haar daarop laat geven is niet direct overtuigend. Maar The Problem of Evil is dan ook geen goed onderbouwde academische uiteenzetting, het is goede fictie. Volgens Costello bestaat er zoiets als de duivel, een soort platonisch ideaal van het absolute kwaad, alomaanwezig, `onder de huid van de dingen, zoekend naar een uitweg naar het licht'. Via Hitlers beul en de pen van de schrijver wordt dit kwaad als een besmettelijke ziekte doorgegeven aan de lezer. De schrijver, en wellicht ook de lezer, wordt op die manier medeplichtig aan de beul. Of, zoals Costello zegt over haar vroegere werk: `She, no less than Paul West, knew how to play with words until she got them right, the words that would send an electric shock down the spine of the reader. Butcherfolk in our own way.'

Je hoeft het niet eens te zijn met deze, bijna Middeleeuwse, theorie om ook je twijfels te hebben over een bepaalde manier van schrijven, een haast voyeuristische blik op leed die Costello obsceen noemt. Er zijn boeken waarvan ik wou dat ik ze niet had gelezen. De roman The Painted Bird van Jerszy Kozinsky, bijvoorbeeld. Of Country of My Skull, een non-fictie verslag van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Antjie Krog over de hoorzittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Het laatste is een interessant geval, omdat Krog daarin vertelt hoe zij en de andere verslaggevers last kregen van allerlei psychische en lichamelijke klachten, variërend van depressies en slapeloze nachten tot haaruitval, van de gruweldaden die ze dag in dag uit beschreven hoorden.

Ikzelf denk niet dat ik beter ben geworden van het inzicht, verkregen uit deze boeken, dat de mens in staat is tot nog grotere gruwelen (al was het maar in zijn fantasie) dan ik al dacht. Ik denk ook niet dat ik heel veel slechter af ben dan ervoor. Maar ik denk wel dat het iets raars doet met je vermogen tot compassie wanneer je, net als de verslaggevers van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, al te vaak met zulke horror wordt geconfronteerd, fictief of niet. Hoe kun je je blijven identificeren met anderen wanneer die alleen maar afgeslacht worden?

Elizabeth Costello identificeert zich met de slachtoffers waar ze over leest. Daar komt haar tweede, overtuigender argument uit voort. De geëxecuteerden zijn als haar broers. Ze ziet haar broers niet graag vernederd worden. En ze wil niet, uit piëteit, dat de dood van haar broers zo voor het voetlicht wordt gesleurd: `The artist should respect the deaths of others, should not arrogate them to himself. Hardly an outrageous position in a world where the dying and the grieving have the heartless lenses of television cameras poked into their faces.'

De kwesties die Coetzee aankaart lijken me dan ook relevanter voor de journalistiek dan de literatuur. Wat voegt een gedetailleerde beschrijving van wat er te zien is op een video met kinderporno toe aan ons begrip, of onze afkeuring, van het fenomeen? Wat hebben we aan een serie foto's in de krant van Palestijnen die worden doodgeschoten, als in een gewelddadig stripverhaal? En hoe verschilt dit van een publieke executie? Moeten we alles maar laten zien omdat we nu eenmaal de beelden hebben?

Het vertellen van verhalen is intrinsiek goed wanneer je, zoals Coetzee, met die verhalen zulke vragen blijft oproepen.