Hollands Dagboek: Rudie van Dantzig

Het Nationale Ballet sluit het seizoen af met een programma met vier balletten van Rudi van Dantzig (68), die eerst als danser en huischoreograaf en daarna twintig jaar als artistiek leider zijn stempel op het gezelschap drukte. Van Dantzig onderging afgelopen week een chemokuur.

Dinsdag 18 juni

Zeven uur op, wekker blijkt niet nodig en scheren hoeft tegenwoordig niet meer, evenmin als haar kammen, de haargroei heeft vakantie; lekker snel. Zon dreunt klaterend binnen, tuinen overvloedig in groene tinten. Mijn vriend Gertjan komt, zoals meestal, iets later naar beneden; ontbijt. Ik bel Toer van Schayk: ,,Nee, jij bent vrij deze keer, Gertjan gaat mee.'' Lijn 16, overstap op cirkellijn, half negen stappen we het Sint Lucas Ziekenhuis in. Routine al: meteen bloed af laten nemen, daarna de dokter. Op de weegschaal, en weinig verschil met drie weken eerder, gelukkig – alleen: ,,U heeft flinke bloedarmoede, dat gebeurt vaker na de vierde chemokuur, de rode bloedlichaampjes herstellen zich langzaam. Na de zesde kuur krijgt u dus een bloedtransfusie, één dag opname.'' Opluchting: het kan zó geregeld worden dat ik dan toch nog diezelfde week naar Frankrijk kan, zoals ik had gepland. Nog een keer bloed afnemen, vier buisjes. En dat bij bloedarmoede?

Ik leid Gertjan door de smalle Lucasgangen vol wachtenden, toon hem de wandversieringsfoto's waar ik de directie over wilde schrijven: naargeestige visies op Amsterdam, waar je bij ziekenhuisbezoek niet direct op zit te wachten; veel vuil, veel kaalslag, veel duisternis. In de hal staat een treurige bronzen hond met staart tussen de benen, en op een binnenplaats bivakkeert een al even moedeloos bronzen echtpaar. Als je ziek bent, kun je een sterkere visie op het bestaan goed gebruiken, beste Lucasdirectie, daar snák je dan naar!

Onverwachte ontmoeting met dr. Steller die me een halfjaar terug opereerde, een positieve, directe man waar ik me onmiddellijk vertrouwd bij voelde, onontbeerlijk bij zo'n ziekteproces. Derde etage, Gertjan kent mijn chemoverhalen, de behandelruimte waar ik zo'n aversie tegen heb. Een rommelig lokaal, half opslagruimte, half kapsalon, bloedbenauwd ook, de zon staat er pal op. Tafeltjes met gebloemde kleedjes, o gezelligheid, met daarop de onvermijdelijke tijdschriften, verder kartonnen dozen, kamerschermen en daartussen mensen die via een aantal slangetjes aan verrijdbare metalen staketsels zijn verbonden. ,,Kunnen de deuren niet open?'', vraag ik. ,,Dan wordt het binnen nog warmer'', is het antwoord.

Het inbrengen van de infuusnaald lukt slecht, twee keer gaat de naald mijn arm in, maar ,,ik kan de ader niet krijgen''. Ik sis een beetje en verstijf. ,,Doe ik u pijn? Ik geloof dat ik er doorheen heb geprikt.'' Nee, de pijn is het niet, maar het idee. De laborante probeert het in mijn hand, weer gaat het moeizaam, er worden onzekere blikken gewisseld. Gertjan houdt mijn stoel tegen omdat ik zo krampachtig reageer dat die achteruit rolt. ,,Zo, gelukt!'' Ik rijd, bezweet voorhoofd, met mijn staketsel naar een aangrenzend vertrek, een verlaten kinderwachtkamer, speelgoed, tekeningen aan de muur. Gertjan zet een balkondeur wijd open: frisse lucht, opbollende gordijnen. Ondertussen verdwijnt de inhoud van vier plastic zakjes in mijn aderen: `Wien Neerlands bloed...'

Tja.

In de lift omlaag krijg ik een inzinkinkje, misselijk, moe, tranen. Maar tranen mag, het boekje dat ik hier overhandigd kreeg zegt: `U zult merken dat u sneller emotioneel kunt zijn.' Snikheet buiten. Cirkellijn, tram, weer thuis, waar ik me moet vasthouden om niet om te vallen. Lig op bed, in de zon, en houd een oog op Gertjan die levensgevaarlijk buiten de ramen hangt, vensters lapt, vensterbanken schoon boent, likken verf plaatst: wat een energie.

's Avonds zien we Klaas de Jonge op tv, de man die het `terroristische' ANC van wapens voorzag en toch steun kreeg van de Nederlandse ambassade in Johannesburg.

The times they are a-changing.

Woensdag

Naar postkantoor, dat niet meer pal om de hoek ligt, maar 20 minuten lopen verderop; het onze was te klein bevonden, niet rendabel: leve de privatisering. Destijds waren er buurtprotesten, maar nu ik zelf niet meer fiets – reageer nogal traag op verkeer – begrijp ik hoe afhankelijk oudere mensen en zieken zich voelen. Ik herinner me Sjifra Herzberg – radioverslaggever in Israël – die met enig dédain bleef spreken over een `postkantoortje' in Gazastad, dat was opgeblazen. Hier in Amsterdam-Zuid is tenminste nog openbaar vervoer, zijn er taxi's desnoods, daar, in Palestina is niets meer. Postkantoortje...

We lopen terug van het Roelof Hartplein: hier woonde Toer als kind, wijs ik Gertjan, daar, op de kade, Gerard Reve. Ik hijg ondertussen, de bloedarmoede doet heftig van zich spreken. Zon in de tuin, blauwe hemel: ,,Die stilte, het lijkt wel een dorp'', zegt Gertjan. Er fladderen jonge langstaartmeesjes in de struiken, massa's, ze maken ontroerende geluidjes, lispelend en ijl, als water.

Gertjan is niet te stuiten, hij bungelt weer buiten de ramen, geeft de verwilderde tuin een opknapbeurt en stort zich op de buitenstoep. Esmée, mooie buurvrouw, wandelt langs met haar mezennestje: vier schitterende kinderen. ,,Kan ik hem niet eens van je lenen?'', lacht ze, op aanpotende Gertjan wijzend. ,,Hij is mijn eigendom niet'', zeg ik. ,,Eigen baas. Gelukkig.''

Gaan ze Nova opheffen, Rob Trip – de beste interviewer die we naar mijn mening in Nederland hebben – aan de kant gezet? Laat Rottenberg toch zijn eigen – mooie – programma's maken! Voor Van Nieuwkerk weet ik overigens een paar geschikte gesprekspartners: Bram Peper en David Pinto, een zelfingenomen vlooientheater van superego's dat de ulevel-achtige uitstraling van Van Nieuwkerk wat reliëf zou kunnen verlenen.

Gertjan pakt zijn biezen, laatste trein terug naar Vlissingen, waar hij plannen voor een nieuw beeld gaat uitwerken. We zien elkaar waarschijnlijk pas weer over anderhalve maand, in Frankrijk; als mijn ziektebeeld tenminste niet gaat veranderen.

Donderdag

Zoals bijna dagelijks: schrikbarend veel post, stapels die me met een schuldgevoel opzadelen, want aan beantwoording kom ik nauwelijks toe. Het lezen van al die kaarten en brieven is soms wat neerdrukkend: medeleven, raadgevingen, sympathiebetuigingen, meestal van totaal vreemden. Het is ongelofelijk lief bedoeld en toch leest het als afscheidslectuur, alsof ik er binnenkort niet meer zal zijn. En de enige, vind ik, die dat mag constateren, ben ik zelf.

Toch zijn er ook verrassingen tussen: ,,Ik begreep dat u aan een boek over de verzetsheld Arondéus werkt; ik verzamel onder andere zijn werk en stuur u er wat fotokopieën van.''

Fantastisch! En dan dat meisje, Anna: ,,In 1996 heb ik meegedaan aan Het Zwanenmeer, ik was toen leerling van de balletacademie en heb nog met u gerepeteerd. Daarna werd ik ziek, het bleek dat ik leukemie had, ik was toen veertien jaar. Ik had twee jaar lang chemokuren, het was een afschuwelijke tijd.''

Anna doet, schrijft ze, mee aan een fietstocht langs alle kinderkankercentra in Nederland: `Ketting van balonnen'. ,,Misschien wilt u over onze actie praten als u een interview geeft, om zo de mensen warm te maken om ons te steunen.'' Natuurlijk doe ik dat, Anna, en NRC: 17 augustus start de fietstocht – 600 kilometer – in Zwolle, vergeet het niet!

's Avonds naar het Muziektheater, afscheid van Caroline Iura, eerste danseres, die ik in New York als piepjong meisje engageerde. Het is de vijfde keer dat `mijn' programma gaat, maar de tweede keer dat ik het zie; Caroline danst non-stop, en virtuoos en licht als altijd. In de laatste pauze vertrek ik, omhels Caroline in haar bloemenzee-kleedkamer: ,,Ik ben moe.'' Maar ook: recepties met sigarettenrook kan ik in dit stadium van chemo helemáál niet verstouwen.

Vrijdag

's Ochtends interview met Wereldomroep, ach, een beetje de geijkte vragen. Het Nationale Ballet heeft een vrije dag en gek, ook al ben ik daar al elf jaar weg, als zij vrij zijn heb ik óók altijd een beetje een zondags gevoel, van niet lastiggevallen te kunnen worden; fantoomvrijheid? Ik bel Azita, een jonge Iraanse vrouw die ik tijdens de chemo's in het Lucas heb leren kennen, ze bleek honderdmaal slechter dan ik op al die behandelingen te reageren, zag er stil en inwit uit. Wonderlijk dat er zo'n band kan ontstaan tussen lotgenoten. Ze zegt me dat ze voor mijn laatste kuur mee wil gaan, ,,dat je daar niet zo alleen zit''. Maar zelf is ze nu – alleen? – met bestralingen bezig.

Moedige meid.

Telefoon uit Athene, of ik komende winter Romeo en Julia opnieuw kan komen instuderen. Typisch Grieks om daar zo laat mee aan te komen, weet niet of ik tijd heb.

Maar verder: Athene in de winter?!

Slecht voor dit dagboek, maar vanwege energiegebrek zit of lig ik de laatste tijd voornamelijk, ga het huis niet uit. Zie prachtige film over de Jordaan, uit plusminus 1970, de tijd dat Toer en ik daar woonden dus. Onvoorstelbaar vervallen huizen, buurtsaamhorigheid, een gemeentebestuur dat geen poot uitsteekt. Jonge mensen die de schandalige rotzooi op open plekken in de buurt opruimen om daar speelplaatsen voor kinderen te maken. The times...

Zaterdag

Krijg van Ted Brandsen – komend leider van de Het Nationale Ballet – het verzoek om de rolbezettingen voor Romeo en Julia, dat voor oktober in Amsterdam is geprogrammeerd, op papier te zetten. Minstens zes bezettingen, honderden wisselende namen dus, en de wetenschap dat er altijd dansers teleurgesteld zullen reageren: het meest akelige werk voor choreograaf of artistiek leider. Afschuiven? Nee, ik wil er tóch mijn zeg in houden. Ruim mijn huis op – wát een bende – haal wat te eten: zal ik het naar binnen krijgen? Vanavond laatste voorstelling, maar ik ga niet, te lam – jammer. Toer belt in de pauze: een afgeladen zaal, heel enthousiast publiek. Ben gelukkig met het resultaat van de serie, en het feit dat ik er drie jonge mensen een mooie kans in heb kunnen geven: Victor, een Spanjaard – Sefton, Brit, en Tamara, die piepjong en Nederlandse is. Drie aanzienlijke talenten voor de toekomst.

Zondag

Zon, rust. Toer belt of ik mee wil gaan naar de boerderij, maar hoe vriendelijk ook, ik voel me er niet toe in staat en wil bovendien proberen enkele van die benauwende stapels brieven te beantwoorden. Bob, mijn broer, komt buurten en wéér zitten we in de tuin, bespieden vogeltjes, praten over het duivenechtpaar dat al járen in dezelfde boom woont.

Zie op tv de installatie van GroenLinkser Borghouts tot commissaris van de koningin, fijn voor GroenLinks, en nódig. Maar wat me boeit is de achtergrond, de wandkleden in het Haarlems Provinciehuis die door Arondéus omstreeks 1930 zijn ontworpen. Arondéus, denk ik, je bent op de verrekijk, het is niet onopgemerkt gebleven.

Maandag

Telefoon van Opium, of ik een lang zomerinterview met Arjan Peters wil doen. Met Peters? vraag ik: natuurlijk, graag. Maar dan niet die geijkte vragen, hoop ik heimelijk.

Sjifra Herzberg – radio – praat over die muur tussen Palestina en Israël; ze klinkt zowaar wat aarzelend, alsof ze inziet dat een volk bijna veertig jaar lang alle basisrechten ontnemen toch wel erg bedenkelijk is. Brieven beantwoorden, aan Arondéus werken, mondjesmaat, en een vermoeide blik op de Romeo-lijsten geworpen: morgen maar...

Dinsdag 25 juni

Interview met Arjan Visser voor Trouw. De Tien Geboden – kén ik die wel goed genoeg? Geen godsdienstig examen, integendeel, een lang en zinvol gesprek, dat me goed doet.

Bush op de buis, hoe omschrijf ik dat lachje toch van hem? Smug? Arafat moet weg, volgens Bush, en misschien zou dat inderdaad beter zijn, een jong iemand in die verscheurde streek, met andere inzichten. Sharon dan ook maar meteen weg, hup! Al jaren hoop ik dat Hannah Ashrawi aan bod kan komen, een sterke, realistische vrouw, beetje zus van Golda Meïr. Een moslimstaat met een vrouw aan het hoofd, goed zou dat zijn.

Dagelijks bezoek van Toer, die rinse appelstroop, Roosvicee en vijgenkoekjes uit de natuurwinkel meeneemt, aangeraden door Klazien Brummel van het Theater Instituut. ,,Vrouwen hebben die bloedarmoede als ze zwanger zijn'', belde ze, ,,het helpt.'' Ze wil me spreken/filmen over dans in Nederland – snel, voordat hij er niet meer is? Klazien, ik blijf nog even.