HISTORIE

Hoe hoog moet een gebouw zijn om wolkenkrabber genoemd te worden? In Amsterdam staat aan het einde van de Vrijheidslaan een gebouw dat heel parmantig De Wolkenkrabber heet, zoals er eens een band was die zich The Band noemde. Deze door J.F. Staal ontworpen woontoren uit 1928 is niet hoger dan 40 meter en zou, als het niet de naam De Wolkenkrabber droeg, nu door niemand meer een wolkenkrabber worden genoemd. Hetzelfde geldt voor het Witte Huis, het gebouw aan de Oudehaven in Rotterdam dat geldt als de eerste wolkenkrabber in Nederland. Toen dit door W. Molenbroek ontworpen gebouw in 1898 werd voltooid, torende het hoog uit boven zijn omgeving. Maar nu de omgeving ook veel hoger is geworden, is het moeilijk voor te stellen dat het Witte Huis bij oplevering het hoogste gebouw van Europa was.

De eerste Nederlandse wolkenkrabber werd dertien jaar gebouwd na het Home Insurance Building in Chicago, het gebouw van William Le Baron Jenny dat als de eerste wolkenkrabber ter wereld geldt. Met zijn tien etages was het één etage lager dan het Witte Huis. Het is dan ook niet zozeer de hoogte die het Home Insurance Building het predikaat `eerste wolkenkrabber ter wereld' heeft bezorgd – het oogt niet als een toren maar als een fors blok – als wel het feit dat dit gebouw het eerste was met een skelet van staal en ijzer en niet-dragende dunne gevels.

Het staalskelet betekende een doorbraak in de hoogbouw. Tot dan toe was de hoogte van bouwwerken begrensd, doordat bij echt hoge gebouwen (dat wil zeggen van meer dan een verdieping of twaalf) de stenen muren onmogelijk dik en zwaar moesten worden. Samen met de uitvinding van de veiligheidslift door Otis maakte het staalskelet hoogbouw mogelijk waarvan men aanvankelijk de grenzen niet kende. Al in 1892, zeven jaar na de eerste wolkenkrabber, verscheen in Chicago de Masonic Temple, die met zijn hoogte van 92 meter bijna twee keer zo hoog was als het Home Insurance Building. In 1913 werd in New York het Woolworth Building gebouwd dat met zijn 242 meter het hoogste gebouw ter wereld zou blijven tot het in 1931 werd overtroffen door het 381 meter hoge Empire State Building.

In Nederland ging het niet zo hard met de hoogbouw als in de Verenigde Staten. In Rotterdam bleef het Witte Huis, dat opmerkelijk genoeg geen staalskelet had maar dikke stenen muren, lange tijd het hoogste gebouw van de stad. En in Amsterdam bleef De Wolkenkrabber tot na de Tweede Wereldoorlog de enige wolkenkrabber. Anders dan in Chicago en New York noodzaakten de lage Nederlandse grondprijzen niet tot wolkenkrabbers en voor het prestige dat hoge gebouwen met zich meebrengen, bleken Nederlanders vooralsnog ongevoelig. Integendeel, wie het waagde eens echt hoog te bouwen, zoals de architect Hugh Maaskant in 1970 met zijn Provinciehuis in Den Bosch van 104 meter hoog, liep grote kans om voor fascist te worden uitgemaakt.

In de woningbouw kreeg hoogbouw in Nederland vooral de vorm van een doos op zijn kant met niet meer dan een zeven, acht verdiepingen met sociale woningen. De beroemde Bergpolderflat in Rotterdam uit 1934 van Van Tijen en Brinkman en Van der Vlugt, een doos met negen woonlagen, werd het prototype van de Nederlandse hoogbouw. Vooral na de Tweede Wereldoorlog werden overal in Nederland dergelijke galerijflats neergezet. Ook hoge kantoorgebouwen, die vooral in Den Haag en Rotterdam werden gebouwd, kregen zelden de vorm van een slanke toren, maar werden meestal een forse doos.

De apotheose van de Nederlandse galerijflats werd de beroemd-beruchte Bijlmermeer met de grijze betonnen flats die in honingraatvormen in het groen stonden opgesteld. Mede door de mislukking van de Bijlmer en andere flatwijken raakte hoogbouw in Nederland begin jaren zeventig zeker in de woningbouw in diskrediet. Artsen stelden vast dat bewoners van hoogbouwappartementen massaal leden aan flatneurose, een ziekte die nu niet meer bestaat. Pas diep in de jaren tachtig raakte hoogbouw weer in zwang. In de jaren negentig werd hoogbouw zelfs ongekend populair: de laatste jaren is Nederland overspoeld met gebouwen hoger dan 60 meter.