Hij heeft niet te klagen

Multatuli grossierde in pakken van Sjaalman, maar zijn elegantste maatwerk was `Max Havelaar', stelt Pieter Steinz halverwege zijn stoomcursus wereldliteratuur.

Dood en toch springlevend – voor een zelfverklaard `vat vol tegenstrijdigheids' moet dat de ideale toestand zijn. Eduard Douwes Dekker, alias Multatuli, werd afgelopen week officieel uitgeroepen tot de belangrijkste schrijver uit de Nederlandse literatuur. Hij liet Vondel, Hermans, `Willem die Madoc maakte', Couperus en Reve achter zich. En dat niet alleen: zijn beroemdste boek, Max Havelaar (1860), werd in een enquête onder de leden van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde ook nog eens gekozen tot het klassiekste boek, net voor Vanden vos Reynaerde en De avonden.

Terecht natuurlijk. Douwes Dekkers literaire aanklacht tegen de misstanden waarvan hij als assistent-resident in Lebak (West-Java) getuige was geweest, is na bijna 150 jaar nog steeds grappig, ontroerend en scherp. De tand des tijds heeft er nauwelijks een afdruk in achtergelaten; en het zo gevarieerde karakter van het werk – deels satire, deels j'accuse, deels romantisch epos – valt tegenwoordig zelfs beter te waarderen dan in de negentiende eeuw. Per slot van rekening is de moderne lezer gewend aan postmodernisme in de literatuur. Een auteur die, zoals Multatuli aan het eind van Max Havelaar, zijn eigen werk binnenstapt is dagelijkse kost; en een personage dat, zoals de makelaar in koffie Droogstoppel, precies zegt wat de schrijver niet bedoelt, wordt herkend als een voorbeeld van superieure ironie.

Batavus Droogstoppel, die als een op hol geslagen koffiemolen de raamvertelling over de gefnuikte idealist Havelaar inleidt en becommentarieert, is een hoogtepunt van de roman. Zijn tirades tegen de pretenties van de kunst en de leugens van de literatuur werken niet alleen op de lachspieren, maar zijn ook een perfect voorbeeld van het `levend Hollands' dat Multatuli zei te schrijven en waarmee hij zijn tijd vooruit was. Maar Max Havelaar heeft nog meer te bieden: memorabele retoriek (in Havelaars toespraak tot de hoofden van Lebak), een sprookje (`De Japanse steenhouwer'), een romantisch verhaal over liefde tot de dood (`Saïdjah en Adinda'), een politieke intrige over machtsmisbruik en typisch Nederlandse doofpotcultuur, en – bij wijze van motto – een `onuitgegeven toneelspel' over een onschuldig veroordeelde dat valt samen te vatten als `Lothario moet hangen'.

`Ik had op koffie gehoopt, en hij gaf ons... ja, de hemel weet wat,' zegt Droogstoppel over zijn jongste bediende Stern, die uit de achtergelaten papieren van een berooide Indiëganger (`het pak van Sjaalman') het verhaal van Max Havelaar destilleert. Het zou ook kunnen slaan op zijn geestelijke vader Multatuli, die immers grossierde in pakken van Sjaalman. Zowel zijn briefroman Minnebrieven als zijn gokkersboek Millioenen-studiën worden voortdurend onderbroken door de toestand van de wereld, terwijl de Ideën (die hij in zeven delen het licht deed zien) behalve essays en aforismen ook een toneelstuk (Vorstenschool) en een satirische Bildungsroman (Woutertje Pieterse) bevatten.

Multatuli heeft zich miskend gevoeld. Toen Max Havelaar niet tot hervorming van de Indiëpolitiek leidde, zei hij teleurgesteld: `Ze vonden het een mooi boek maar ze deden niets.' Maar op het literaire vlak heeft hij niet te klagen gehad. Het `mooie boek' beïnvloedde generaties schrijvers, werd tientallen keren herdrukt, en is – om met Batavus Droogstoppel te spreken – bijna het enige negentiende-eeuwse boek `dat ge lezen moet als ge makelaar in koffie zijt, of als ge wat anders zijt.'

Volgende week: `Het verdriet van België' van Hugo Claus. De aangekondigde aflevering over Houellebecqs `Elementaire deeltjes' is uitgesteld naar 13 juli. Pieter Steinz: ps@nrc.nl