Europese hoop en Amerikaanse scepsis

Voor voorstanders van het Internationaal Strafhof, dat maandag begint, is het een hoopvol moment. Voor tegenstanders is het hof tot mislukken gedoemd omdat onder meer de VS niet meedoen.

Veel sneller dan vier jaar geleden in Rome bij de ondertekening van het statuut werd verwacht, treedt het Internationaal Strafhof maandag officieel in werking. ,,Dat is veel sneller dan wie ook voor mogelijk had gehouden'', zegt een opgetogen Lars van Troost, die voor Amnesty International sinds 1995 de onderhandelingen over het strafhof volgt. ,,Bij het VN-verdrag over de politieke en burgerrechten duurde het bijvoorbeeld 10 jaar voor de vereiste 35 ratificaties er waren. Nu hebben we er in vier jaar al 73. Ondanks het Amerikaanse verzet blijven er nog steeds nieuwe landen bijkomen.''

De Amerikanen, die de laatste maanden uit alle macht proberen de werking van het nieuwe strafhof zoveel mogelijk te beperken, menen dat de Europeanen en hun bondgenoten met het hof aan een hopeloze onderneming zijn begonnen. ,,Het is naïef van de Europeanen om te denken dat ze internationale normen aan ons kunnen opleggen'', stelt James Dobbins, oud-ambassadeur in speciale dienst, bij een kort bezoek aan Nederland. ,,Omgekeerd kunnen wij dat ook niet aan Europa. Zowel Europa als de VS vormen een te belangrijk onderdeel van het internationale systeem om er normen door te drukken zonder dat een van beiden het er mee eens is. Dat kan alleen via een consensus.''

Dobbins, die de afgelopen tien jaar in tal van crisishaarden (de Balkan, Afghanistan) als diplomaat actief was, voorspelt dat het strafhof nauwelijks een vuist kan maken. ,,Hoe zouden de Europeanen dat moeten doen? Ze missen daartoe gewoon de middelen. Tijdens de crises op de Balkan kon je zien dat er pas naleving van het internationaal recht werd afgedwongen, toen de Amerikanen de leiding namen en ook de Russen stilzwijgend begonnen mee te werken. Zonder onze medewerking aan de interventie in Joegoslavië en het Joegoslavië-tribunaal zouden de Europeanen nog steeds handenwringend langs de kant staan.''

Van Troost is aanmerkelijk optimistischer. Hij tilt er niet zo zwaar aan dat een groot deel van de wereld, inclusief het machtigste land, voorlopig niet meedoet. De anderen zullen op termijn wel volgen, denkt hij. Ook voor de praktische problemen met het vestigen van de autoriteit van het stafhof, waarvoor Dobbins waarschuwt, is hij niet bevreesd: ,,Dat is juist een uitdaging voor Europa om op zijn eigen benen te staan. Natuurlijk wilden we graag dat de Amerikanen meededen. Europa was ook bereid op een aantal punten toe te geven. Maar er waren grenzen aan de toegeeflijkheid.''

Intussen verheugt Van Troost zich erover dat het strafhof geen tandeloze instelling is geworden. De openbare aanklager kan op eigen gezag klachten aanhangig maken bij het hof, ook al hadden veel landen dat recht liever voorbehouden aan staten zelf. Nog belangrijker wellicht: ook al behoudt een land de bevoegdheid om zelf als eerste een eigen burger te berechten, het Internationaal Strafhof is daarmee niet uitgepraat. ,,Het is ter beoordeling van het hof of een staat een verdachte op een serieuze manier berecht of niet'', aldus Van Troost, die morgen naar New York vertrekt voor een VN-vergadering ter nadere voorbereiding van het strafhof. ,,Dat is belangrijk want de aanwezigheid van het strafhof kan zo op nationaal niveau als een soort catalysator werken.''

Ook de jurisdictie van het strafhof is ruimer uitgevallen dan sommige landen wilden. Zo wilde China, evenmin partij bij het strafhof, een zeer enge interpretatie van het begrip misdaden tegen de menselijkheid, terwijl India vond dat de term oorlogsmisdaden niet van toepassing mocht zijn bij interne conflicten in een land. De twee landen verloren het pleit op beide punten. Ook zijn er volgens Van Troost goede garanties ingebouwd dat er eerlijke processen kunnen worden gehouden. Op deze punten vonden de Europeanen de Amerikanen bij de onderhandelingen over het statuut overigens juist aan hun zijde.

Volgens Dobbins, sinds kort directeur van een door de overheid gesponsord instituut voor buitenlands beleid in Washington van de Rand Corporation, schiet het strafhof op vitale punten te kort. Zo hechten de Amerikanen eraan om per conflict vast te stellen of ze zich aan de rechtsmacht van een internationaal tribunaal willen onderwerpen. Bij het Joegoslavië-tribunaal ging Washington daarmee na consultaties binnen de VN-Veiligheidsraad wel akkoord. ,,Het heeft weinig zin zoiets door te zetten, wanneer je niet op zijn minst op de steun van een meerderheid in de Veiligheidsraad kan rekenen.''

Van Troost verwijt de VS inconsistentie. ,,Zij hebben wel het genocide-verdrag en het verdrag van Genève over de oorlogsmisdaden aanvaard. Daarbij geldt ook een universele jurisdictie zodat Amerikanen er overal voor kunnen worden berecht. Waarom zijn ze er dan tegen wanneer nu het Internationaal Strafhof dat ook mag?''

Kwalijk vindt Van Troost ook de poging van Washington via de Veiligheidsraad een resolutie aangenomen te krijgen, die Amerikaanse militairen bij vredesmissies moet vrijwaren van vervolging door het strafhof. ,,Er dreigt zo het gevaar dat je via een politieke instantie als de Veiligheidsraad internationale verdragen kunt amenderen.'' Dobbins acht het Amerikaanse gebruik van de Veiligheidsraad volkomen gewettigd. ,,Internationaal recht wordt evenals nationaal recht gemaakt door politici en niet door advocaten en rechters. Die interpreteren de afgesproken regels alleen.''

Volgens Dobbins doen de Europeanen er beter aan hun pogingen te staken om de rechtsmacht van het strafhof verder uit te breiden. Dat zou de kloof met Washington alleen verdiepen. ,,Beide zijden moeten zich niet ingraven maar praten over mogelijke oplossingen. Op termijn kunnen die best gevonden worden, als beide zijden wat toegeven.''