Dood van een wonderkind

Vorige week zaterdag stond er een kleine rouwadvertentie in het Rotterdams Dagblad: ,,Jacob Zekveld, beeldend kunstenaar: een groot talent, 1945-2002''. Ondertekend door het Centrum Beeldende Kunst en Hans Sonnenberg van Galerie Delta. Geen namen van familie, geen mededelingen over teraardebestelling of crematie. Het bericht van zijn dood verraste mij minder dan de karige wijze waarop dit werd medegedeeld.

Acht jaar geleden interviewde ik Zekveld voor het boek dat mede zijn naam zou dragen: ,,Van Amen tot Zekveld, reportage over de beeldende kunst in Rotterdam in de jaren zestig''. Dat decennium was zijn glorietijd, zijn jaren van aanstormend talent, benoemd met dat lichtzinnige woord 'wonderkind'. Museums als Boymans-van Beuningen, het Stedelijk in Amsterdam en Schiedam, galeries en collectioneurs kochten werk van hem aan. Grote, vrolijke popart-achtige doeken, tekeningen, litho's en zeefdrukken.

Hij verdween uit het zicht van het Rotterdamse kunstenaarswereldje. In de jaren daarna kwam ik hem nog wel eens tegen. Dan was hij in het buitenland geweest, in Italië, in Engeland, in Canada, waar hij grote projecten onder handen had, iets met lijnen en tijd, conceptuele kunst, die was inmiddels in de mode gekomen. Zijn dandy-achtige verschijning maakte plaats voor jasjes van rib en slordige pantalons van het soort waarin ik zijn vader had gekend, een groenteboer in het Nieuwe Westen van Rotterdam. Bij zijn tweede vrouw had hij twee kinderen, maar die woonden nu ergens anders.

Het interview vond 's morgens plaats, om een uur of tien. Dat vroege tijdstip had hij zelf voorgesteld, want dan was hij nog aanspreekbaar. We zaten in het souterrain van het huis waar hij zijn hele leven heeft gewoond, met zijn ouders, met zijn gezin en ten slotte alleen. Heel erg alleen. Ik probeerde me het huis voor te stellen toen het nog een keurige burgerwoning was. Ik herinnerde me dat we na een dronken nacht in zijn souterrain zaten en zijn moeder zwijgend een schaal aardbeien voor ons neerzette.

Nu was hij wel bereid koffie voor mij te zetten, maar dat was een hoop gedoe, hij wist eigenlijk niet of hij wel koffie in huis had. Zelf had hij zijn ochtendrantsoen van één fles rode wijn al genuttigd. Het was bocht, maar goed genoeg om mee te beginnen, je moest dat opbouwen. Als ik een glaasje wilde, hij had voor deze gelegenheid juist een tweede fles geopend. En waar wilde ik het over hebben?

,,Over kunst? Ik was en ben in kunst niet geïnteresseerd, ik ben geïnteresseerd in de tijd, wat er in de tijd gebeurt, ik probeer de stofjes van de tijd op te vangen.'' Hij liet het lachje horen dat ik zo goed van hem kende, een soort gehinnik, waarvan je nooit wist of hij zichzelf, de wereld of zijn gesprekspartner uitlachte.

De jaren zestig? ,,Ach jongen, dat weet je toch wel, we kennen elkaar toch.'' O jawel, Jacob, weet je nog dat we in Maastricht op straat hebben getekend, op een stuk karton hadden we `pour les pauvres artistes' geschreven. We werden door de politie weggestuurd, maar toen hadden we al veel geld opgehaald. En dat we op zoek gingen naar Barney, herinner je je Barney nog? Hij had ons verteld dat hij in Maastricht een eindeloze! kamer had gevonden, waarop jij zei: ,,Kan je het dan wel warm stoken, Barney?''

Maar dat wist Jacob allemaal niet meer. Jacob Zekveld leefde in zijn eigen wereld en zag de schaduwen op de wand van zijn souterrain, waar hij zijn buitenlandse reizen en projecten voorbereidde en waar hij zes weken dood lag voordat hij werd gevonden. De buren hadden geklaagd dat er zoveel vliegen bij het huis waren.