De homo-index

Amsterdam doet het economisch een stuk beter dan Den Haag en Rotterdam. Dat blijkt uit de cijfers voor de groei in het aantal banen, de kantorenmarkt en het aantal nieuwe bedrijven. Natuurlijk gaat het dit jaar even moeizaam in de hoofdstad, want veel van de goedbetaalde Amsterdamse werknemers werken in de financiële dienstverlening en de reclame, en dat zijn nou net de twee sectoren die het meest te lijden hebben onder de zwakke economische groei en de ramp op de aandelenbeurs. Het beurscafé gaat dicht wegens gebrek aan klandizie, het yuppenweekblad Intermediair verscheen deze maand voor het eerst weer met slechts één katern (twee jaar geleden kon het met honderdvijftig pagina's personeelsadvertenties alleen in drie losse katernen door de brievenbus), en de ING-groep zal wel blij zijn dat het hoofdkantoor-in-aanbouw aan de Zuidas vier keer kleiner is dan de wolkenkrabber van de bank ABN Amro ernaast. Ondanks tijdelijke tegenwind voor Amsterdam, ziet de stad er ook deze zomer veel dynamischer uit dan Den Haag of Rotterdam. Er is oud geld in Den Haag en Wassenaar, maar het nieuwe geld trekt nog steeds vooral naar Amsterdam.

Eén pluspunt van Amsterdam is al duidelijk sinds de Gouden Eeuw: de grachtengordel. Andere sterke punten zijn ook bekend: Schiphol in de directe omgeving, het Concertgebouw, de meeste musea en de Japanse school voor de kinderen van de Japanse managers. Het vliegveld is belangrijk, maar niet omdat er zoveel mensen werken op Schiphol zelf dat zou dan een nogal lawaaierige vorm van werkverschaffing zijn. Het voordeel van Schiphol voor de regio Amsterdam (en in mindere mate voor heel Nederland) is dat normale bedrijven in industrie en dienstensector meer kans hebben op groei en winst bij snelle en frequente verbindingen. Wat de culturele sector betreft, blijkt uit berekeningen van Gerard Marlet dat in Nederland steden met veel aanbod van podiumkunsten het economisch beter doen, omdat meer mensen in zo'n stad willen wonen. Dat wil zeggen: bij gelijke cijfers voor criminaliteit, files en andere zaken die belangrijk zijn voor de populariteit van een gemeente, doen de plaatsen met veel cultuur het aanzienlijk beter. Dan gaat het dus niet om de bestedingen van de bezoekers in de pauze en wat die bijdragen aan de economie, maar om de duizend keer hogere winst die ontstaat omdat hoogopgeleid personeel graag in een cultureel opwindende regio wil werken en wonen.

De economische analyse van steden kan alles wat ik hierboven beweer al met cijfers aantonen, ook voor Nederland. Nu is er dit jaar een kans om nog meer te leren over het recept voor een succesvolle stad. Prof. Richard Florida van de Carnegie-Mellon universiteit in Pittsburgh heeft in zijn nieuwe boek The rise of the creative class twee extra attributen gevonden van succesvolle steden. Als eerste stedelijke econoom maakt hij onderscheid tussen de klassieke podiumkunsten en de kleinere, informele theaters. Concertgebouw en Opera zijn economisch belangrijk als trefpunt voor de oudere elites. Succesvolle vijftigers en zestigers zijn voldoende gesetteld in het bedrijfsleven om al een jaar van tevoren een duur abonnement te nemen en dan het concert in te plannen in de agenda. Twintigers en dertigers in de creatieve, nieuwe economie hechten nog te veel aan hun vrijheid om nu al een abonnement voor het komende seizoen te reserveren. Kleinere theaters en vooral ook een gevarieerde horeca zijn vaak beter toegesneden op die groep. Dat klopt in Nederland ook: in Concertgebouw De Doelen in Rotterdam voel ik me al dertig jaar een jongere bezoeker; bij de voorstelling van cabaretgroep Crème fraîche of bij Hans Liberg zie ik de dertigers bezorgd kijken of de humor niet te snel gaat voor zo'n middelbare heer.

Prof. Florida rekent voor dat de creatieve twintigers en dertigers de snelst groeiende groep zijn in de beroepsbevolking en dat Amerikaanse steden die het hen naar de zin maken dan ook dynamisch kunnen groeien (hij definieert `creatief' heel ruim, dus niet alleen design, media, cultuur en mode, maar ook iedereen die onderzoek doet in ziekenhuis, universiteit of private onderneming, en de complete software-industrie). De creative class gaat volgens Florida niet alleen naar het theater of het eetcafé voor ontspanning, maar ook voor het nuttige netwerk. Mensen werken niet meer hun hele leven bij één werkgever en vormen ook vaker een eenpersoonshuishouden zonder vaste partner of kinderen. Hoe modieuzer het theater of het restaurant, des te meer kans op contacten voor een leuke baan of een nieuwe partner.

En nu het verrassende nieuws van de professor uit Pittsburgh: een sterk positief verband tussen het percentage homo's onder de bevolking en de groei van de banen in de nieuwe economie. Silicon Valley ligt vlak bij San Francisco: de grootste concentratie van hightech bij de stad die nummer 1 staat op de Gay Index. Cijfers voor 49 regio's in de VS laten zien dat het verband tussen groei van hightech en percentage homo's in Amerika over de tijd alleen maar sterker wordt. Prof. Florida's hypothese: hoe toleranter en spannender een stad, hoe meer creatieve mensen zich er thuis voelen en hoe beter bedrijven er dus succes kunnen boeken. Het percentage homo's onder de bevolking is voor Amerika misschien ook wel bij ons in Nederland een indicator van de ruimdenkendheid onder de bevolking. Criminaliteit is slecht voor de stad; ruimte voor homo's is gunstig. Als er straks in Den Haag eindelijk een nieuwe regering is, krijgen alle CDA-ministers een exemplaar van The rise of the creative class van me cadeau. Het kan de mannenbroeders helpen bij het denken over normen, waarden én tolerantie.