De grutto voorbij

Op 29 mei 1990 stond op de opiniepagina van NRC Handelsblad een stuk onder de kop `Stop de gruttomoord'. Ik herinner me dat omdat ik het zelf geschreven had.

Er gingen geruchten dat jonge grutto's bij duizenden het leven lieten als de boeren hun eerste snee gras gingen maaien. Ik kon het me niet goed voorstellen. Ik kwam dagelijks in de polder en je zag er niets van. Je zag ze natuurlijk wel maaien en je zag ook wel dat er haast bij was en je zag rond zo'n jakkerende tractor met cyclomaaier wel verontruste vogels zwermen, maar het was niet zo dat het weiland bezaaid raakte met kadavers, je zag de sloten niet rood kleuren van het bloed.

Toen kwam ik in contact met Niko Groen. Hij deed al jaren onderzoek naar het wel en wee van grutto's in terreinen van Natuurmonumenten bij Wormer. We gingen een dagje het veld in en toen wist ik het, toen wist ik waarom nou juist gruttokuikens zo kwetsbaar waren als er gemaaid werd en hoe je uit het gedrag van de oudervogels kon opmaken of ze hun jongen nog hadden of al kwijt waren – in het eerste geval kwamen ze krijsend boven je hoofd hangen, in het tweede bleven ze mistroostig aan de slootkant staan. Rouwende grutto's, jawel, je kon het zien.

Dat stuk dus. Ik heb het verhakselen van jonge grutto's vergeleken met het doodslaan van zeehondjes. Ik heb verwezen naar bepalingen in de Vogelwet 1936, waaronder je nog geen mereleitje uit het nest zou mogen halen. En ik heb Niko Groen geciteerd met de voorspelling dat onze gruttopopulatie na een periode van vergrijzing volledig in elkaar zou storten.

Het was in zijn soort echt wel een flink stuk, en je kunt ook niet zeggen dat het zonder gevolgen is gebleven. Mijn eigen plezier in grutto's werd er in ieder geval behoorlijk door vergald.

Het was toch altijd een glorieus moment: begin maart, vaak precies op mijn verjaardag, de polder nog in winterkleed, als in de ochtendnevels opeens die heldere roep weerklonk. O grut, o grut. De grutto was terug!

Dan hadden ze net 5.000 kilometer gevlogen en dan begonnen ze in feite meteen met hun baltsvluchten, hunkerend machtsvertoon dat het hele landschap een beetje leek op te tillen. Dan verspreidden ze zich in vertrouwde patronen over de percelen. Dan legden ze eieren, dan gingen ze broeden en dan, half mei, had je als je bij ons de Hollandse Kade afliep voortdurend een wolk krijsende grutto's boven je hoofd – dan waren er jongen.

Ik heb die wolk geleidelijk zien oplossen. De massa werd een enkeling, en als díe uit het gras opsteeg om kabaal te komen maken, kon je eigenlijk alleen maar medelijden hebben.

Nu dacht je bij de terugkeer van de grutto meteen dat het wel weer tevergeefs zou zijn. Nu liep je begin maart al te tobben over het moment dat de boeren zouden gaan maaien. Gemengde gevoelens, zegt men dan.

Vorig jaar mei lanceerde Vogels, het blad van Vogelbescherming Nederland, nog maar eens een reddingsactie voor de grutto, compleet met acceptgirokaart. De hand van de drenkeling komt nog één keer boven water en de mensen op de dijk kijken elkaar bedenkelijk aan: nu begint het toch tijd te worden.

Financieel was deze actie een ongekend succes. Zes ton. En daar was geen gulden van mij bij. Ik had er gewoon geen zin in, geen zin in nog een keer die cijfers, geen zin in nog een keer oorzaak en gevolg, nog een keer het belang van ons land voor de grutto en het belang van de grutto voor ons land.

Ik moet in die tijd helemaal nogal somber gestemd zijn geweest. Ik herinner me dat ik midden in de nacht terugkwam uit Amsterdam, dat ik bij Breukelen de polder inreed en dat ze daar ergens bij kunstlicht aan het maaien waren geslagen, een infernaal gezicht. Toen heb ik er bij mijzelf een streep onder gezet. Grutto's, koeien, boeren, dat hele verdomde Groene Hart, het kon me gestolen worden. Je kunt niet blijven redden.

Nee, ik geloof niet dat Vogelbescherming veel te verwijten valt. Ze hebben steeds hun kracht gezocht in onderzoek en overleg. Ze hadden best eens een hardere actie mogen proberen. Jaar in jaar uit werden jonge grutto's verwerkt in het wintervoer voor rundvee, in elke liter melk een paar druppels gruttobloed – als je het zo bekijkt, denk je eerder aan het conflict- dan aan het harmoniemodel. Maar je zou dan ook aannemelijk moeten maken dat hardere actie geholpen had en dat lijkt me onwaarschijnlijk.

Grutto's stellen specifieke eisen aan het weiland. Tot in de jaren zestig vielen hun belangen volmaakt samen met die van de melkveehouders, toen begon het te wringen. De grutto kreeg, net als andere weidevogels, te lijden van een verdere verzakelijking van het landschap en, méér dan andere weidevogels, van een stelselmatige vervroeging van het maaiseizoen.

Over populariteit had de grutto nooit te klagen en aan initiatieven heeft het dan ook niet ontbroken. Vogelbescherming en andere organisaties hebben, zo'n beetje dertig jaar lang, constant aan de bel gehangen, de overheid heeft regelingen getroffen en geld uitgetrokken, vrijwilligers (waaronder ook boeren) hebben zich uit de naad gewerkt om nesten en kuikens voor vernietiging te behoeden, en de grutto zelf heeft zijn broedseizoen in de loop van de vorige eeuw met drie weken vervroegd. Toch: van 120.000 broedparen in de jaren zestig naar 85.000 rond 1990 en 45.000 à 50.000 in de nieuwe broedvogelatlas die dit najaar zal worden gepubliceerd door SOVON (en dát cijfer is dan al weer door twee broedseizoenen achterhaald).

Van Altenburg & Wymenga kreeg ik een rapport toegestuurd over de bescherming, zo mogelijk zelfs het herstel, van de gruttostand in Friesland. Een indrukwekkend werkstuk. Wat we tegenwoordig allemaal al niet weten! Maar intussen rijzen de haren je te berge.

Wat vroeger vanzelf ging, nogmaals: onze gruttorijkdom was maar een bijproduct van het boerenbedrijf, vraagt nu stap voor stap om beleid, maatregelen, geld. Het hele grasbeheer (waterstand, bemesting, beweiding, maairegime) zou op grutto's moeten worden afgestemd. Nu de populatie zo verzwakt is, beginnen zelfs de nadelige effecten van fietspaden, hoogspanningsleidingen, maïsvelden, de aanplant van bomen en de verspreiding van vossen mee te tellen. Kortom, hoe meer je je erin verdiept, hoe minder de vooruitzichten.

Niet alleen de aankomst, maar ook het vertrek van de grutto heb ik overigens altijd als heel bijzonder ervaren. Als je in juni met vakantie ging, werd de polder nog door grutto's gedomineerd, als je veertien dagen later terugkwam, waren ze allemaal weg. De zomer was nauwelijks begonnen en daar gaapte die ellendige leegte je al aan, die tot de herfst zou voortduren.

Na het broedseizoen tref je bijna alleen nog grutto's aan op uitgebreide slaapplaatsen bij zoetwaterbekkens als de Oostvaardersplassen. Daar bereiden ze zich voor op de najaarstrek. Jonge en oude vogels zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden aan het verenkleed. Met enige handigheid en veel geduld kun je uit die verdeling opmaken hoe het seizoen verlopen is.

Gerrit Gerritsen van het Gruttoplatform, zelf werkzaam in Zwolle, bevestigde me dat dat werk ook dit jaar zal worden gedaan. Maar illusies maakte hij zich niet. Begin juni waren ze al in broedterreinen bij Kampen wezen kijken. Niet meer dan één op de vijf gruttoparen had op dat moment nog jongen. En er was niet eens zo gek vroeg gemaaid. Maar toen het maaien eenmaal begonnen was: het hele gebied in één klap kaal. Steeds meer boeren schakelen loonwerkers in, mannen die geen enkele binding hebben met het terrein, machines tot acht meter breed.

,,Andermaal een heel slecht jaar'', zei Gerritsen. ,,Rampzalig!''

Wat mij hindert bij reddingsacties voor de grutto is dat ze de ondergang van deze vogels nog steeds ergens in de toekomst situeren. Maar de grutto verdwijnt niet morgen, niet vandaag, de grutto verdween gisteren.

Langs de grote rivieren, in reservaten en beheersgebieden zal de grutto zich heus wel weten te handhaven (hoewel zelfs dat de nodige inspanning zal vergen). Maar zijn vanzelfsprekende, joyeuze aanwezigheid in het gewone boerenland is voorbij, voorbij.