BERICHT AAN DE NIEUWE REGERING

Het onderwijs is de speelbal van de voortdurende veranderingsdrift, zo luidt de algemene jammerklacht. Onzin, vindt Rob Knoppert. Het onderwijs, in het bijzonder het voortgezet onderwijs, verandert juist te langzaam.

Contradicties

het onderwijs, vooral het voortgezet onderwijs, is een vat vol onbegrijpelijke tegenstrijdigheden. Hier zijn er enkele.

1 De school zou moeten voorbereiden op de wereld maar de school keert zich van de wereld af. De virtuele muren rond de school zijn hoog en dik. Gretig zoeken de leerlingen de wereld op: iedereen wil een baantje. De school trekt zich er niets van aan.

2 Automatisering en informatica, auto en vliegtuig, tv en telefonie hebben de maatschappij in vijftig jaar onherkenbaar veranderd. Het handwerk in de klas de leraar met krijt voor het bord, de leerling met boek en schrift luisterend en schrijvend is echter nog de standaard. Het onderwijs verandert niet zoals wordt geklaagd te snel, het verandert te langzaam.

3 Ondanks afname van veel regels is de overheid nog steeds almachtig op het gebied van de `core business' , de onderwijsinhouden. Nog steeds bepaalt de overheid wat er geleerd moet worden. Dat is de onvrijheid van onderwijs.

4 De kennis van de mensheid is geëxplodeerd maar de kinderen leren vooral aardrijkskunde, geschiedenis, wiskunde, de drie bèta-vakken, de moderne vreemde talen en Nederlands, dezelfde vakken zonder belangrijke inhoudelijke veranderingen als een halve eeuw geleden.

5 In vijftig jaar is het opleidingsniveau van bijna iedereen in Nederland toegenomen. Van leraren is het gedaald: de academisch opgeleide leraar is zowat verdwenen. Er zijn minder eerstegraders dan ooit. Van een excellerend intellectueel is de leraar verworden tot lid van een zielige beroepsgroep. En dat in een `kennismaatschappij'.

6 Terwijl velen bezorgd zijn over de middelpuntvliedende krachten in de maatschappij, meer allochtonen, verstedelijking, toegenomen mobiliteit, deconfessionalisering, internationalisering, vermijdt iedereen angstvallig over de opvoeding binnen het onderwijs te praten. Heftig werd gedebatteerd over de rookhoek in de docentenkamer, over het roken van leerlingen buiten onder de luifel wordt geen woord vuil gemaakt.

7 De school is er om te leren zeggen we, maar de belangrijkste functie is die van de selectie: je hebt gemiddeld een 8 nodig om zonder loting voor arts te mogen studeren, voor hoger onderwijs is een havo-diploma vereist.

8 Veel wordt gerekend aan de kosten van het onderwijs. Nooit wordt berekend wat het de leerling en de maatschappij kost om de leerling aan het arbeidsproces te onttrekken. Een leerling die één jaar langer op school zit, kost de overheid zo'n €4.000 op de onderwijsbegroting maar zal één jaar minder inkomen genereren en één jaar korter een bijdrage leveren aan de maatschappij.

9 In een halve eeuw is het aantal jaren dat een kind op school doorbrengt toegenomen van circa 10 jaar in 1950 tot 15 à 16 jaar nu. De groei met 50 procent is niet te verklaren uit een noodzaak voor meer kennis. Het is alleen de zucht naar een zo zwaar mogelijke opleiding: `laat je zoon studeren'. Een zware opleiding verbetert je concurrentiepositie in de maatschappij. Eenmaal van school begint de werkende pas echt te leren.

10 Er is op geen enkel niveau in de onderwijswereld aandacht voor het belangrijkste probleem: de fundamenteel eenzame strijd van de leraar tegen de toenemende desinteresse van de leerling. De desinteresse is niet terug te voeren op te geringe bekwaamheid van docenten maar op stagnatie in onderwijskundige ontwikkelingen.

Voorstellen

Ondanks alle bezwaren ertegen, zijn in zo'n situatie veranderingen in het onderwijs onherroepelijk. De scholen zouden zelf de veranderingen moeten kunnen bewerkstelligen, nu maar ook later als veranderende tijden veranderende eisen met zich brengen. Daarom moet het onderwijsstelsel anders ingericht worden en dat kan alleen de almachtige overheid doen. Hier zijn een aantal voorstellen voor overheidsingrijpen, voor een deel voorstellen voor overheidsterugtreden. Het gaat hierbij vooral over het voortgezet onderwijs.

1 Verleen scholen het recht de vrijheid van pakketkeuze voor de leerling in te voeren in het hele algemeen voortgezet onderwijs. Laat de school beslissen welke vakken verplicht zijn en welke vrij te kiezen.

2 Geef een aantal instituten het recht nieuwe vakken te ontwikkelen. Zulke nieuwe vakken moeten van een niveau zijn vergelijkbaar met bestaande vakken. Ook vervolgopleidingen zouden zulke vakken kunnen ontwikkelen. Zo kunnen zij zelf voor goede aansluiting zorgen.

3 Laat scholen bepalen welke vakken zij de leerlingen aanbieden. Dat betekent dat je op de ene school het vak theater kunt kiezen, op een andere toegepaste statistiek of Turks. Maak landelijk hooguit enkele vakken verplicht: Nederlands, Engels, lichamelijke opvoeding bijvoorbeeld.

4 Organiseer meermalen per jaar landelijke examenzittingen, en laat leerlingen op ieder moment van hun schoolcarrière tot de examens toe, net zoals in het hoger en wetenschappelijk onderwijs. Leerlingen kunnen dus tijdens hun schooltijd vakken afsluiten. Een afgesloten vak levert de leerling een certificaat. Aan het eind van zijn schooltijd heeft de leerling een bundel certificaten, een certificatendiploma.

5 Geef leerlingen, ouders en buitenwereld inzicht in de zwaarte van vakken met een studiepuntensysteem. Zittenblijven wordt overbodig. Iedere leerling haalt een diploma. Aan de studiepunten op het diploma kan afgelezen worden wat de leerling waard is. Vervolgopleidingen beslissen over toelating op grond van het certificatendiploma.

6 Vervang de bovenbouw havo en atheneum door een `seniorschool'. Met het naar elkaar toegroeien van hbo en wo, denk aan de bachelor-masterstructuur, is een onderscheid tussen de schooltypen niet relevant meer. De keuzevrijheid in zwaardere en minder zware vakken geeft voldoende differentiatiemogelijkheid.

7 Vervang onderbouw en vmbo door een juniorschool met dezelfde vrijheden voor onderwijsinhouden als die in de seniorschool. Een juniorschool kan maar hoeft niet veel beroepsgerichte vakken aan te bieden, de leerling die met zijn of haar handen wil werken, mag dat. Van de juniorschool kunnen leerlingen doorstromen naar de seniorschool of het mbo. Ook hier geldt: de leerling kiest zijn of haar pakket, bepaalt zo het eindresultaat en selecteert zichzelf.

8 Kort de basisschool een jaar in, maak de juniorschool drie jaar en de seniorschool twee jaar. Op die manier wordt het onderwijs voor de meeste leerlingen twee jaar korter.

9 Hef landelijke vakkenbevoegdheidsregelingen op, en vervang deze door een algemene onderwijsbevoegdheid (overeenkomstig het Engelse systeem) maar verzwaar alle leraarsopleidingen tot academisch (masters) niveau. Verschaf iedere docent de kennis minstens twee vakken te doceren. Natuurlijk zal een scheikundige scheikundeles geven, maar hij heeft genoeg expertise om het nu nog niet bestaande vak milieukunde op school in te voeren.

10 De kwaliteit van het onderwijs kan op dezelfde manier bewaakt worden als nu: door goed omschreven examenprogramma's en landelijke toetsing ondersteund door inspectie. Die bewaking zal uitgebreider en bewerkelijker zijn, want er zal meer variatie in het onderwijsaanbod zijn.

Gevolgen

De splitsing in junior- en seniorschool, decennia terug naar de bedenker al `de knip van Hoogbergen' genoemd, heeft kleinere scholen tot gevolg. Terugdraaien van door Ritzen verzonnen overheidsprikkels die leidden tot de huidige mammoetscholen, kunnen dat proces versterken. Op de kleinere scholen met een naar leeftijd homogene bevolking kan een passend pedagogisch klimaat worden gevestigd. De leerling kiest wat hem of haar aanstaat en kan de loden last van ongemotiveerdheid van zich af werpen.

Met de hier voorgestelde regels zou een leerling met 16 jaar naar de universiteit gaan, en met 14 jaar naar het mbo. Het zou een eind maken aan de almaar langer wordende schooltijd. Er zijn twee belangrijke, prettige neveneffecten. Inkorting van de schooltijd leidt tot enorme besparingen. Die kunnen in de aanloop gebruikt worden om de overschakeling te begeleiden. Met dat kunnen ook andere problemen, zoals die van huisvesting en salarissen, worden opgelost. En het lerarentekort zal in één klap zijn opgelost.

Iedereen weet hoe zijn ideale school er uit ziet. Al die idealen zijn verschillend. Met deze regelingen zijn veel soorten scholen mogelijk: een klein ouderwets gymnasium met een junior- en een senior afdeling, een grote juniorschool met een breed vakkenpakket, een seniorschool die zich toelegt op sport, of theater, of brede oriëntatie op het buitenland met veel vreemde talen (in Engeland noemt men dat `specialist schools'), een juniorschool waar je vooral je handen moet gebruiken. Er kunnen kleine scholen zijn met een smal vakkenpakket en traditionele regels, of grote met veel keuzemogelijkheden, scholen met een traditioneel 50 minuten rooster en scholen waar projectmatig word gewerkt. De beste wint.