Schadeloosstelling voor Belgische joden

De Belgische overheid en verzekeraars hebben met de joodse gemeenschap een akkoord bereikt over een schadeloosstelling van 55,8 miljoen euro voor bezittingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden geroofd of achtergelaten.

Het akkoord volgt na een rapportage van een onderzoekscommissie, die de vorige Belgische regering in 1997 had ingesteld. De commissie raamde het uit te keren bedrag op zo'n 100 miljoen euro, waaraan ook de Belgische banken moeten bijdragen. De banken hebben nog geen akkoord bereikt wegens onenigheid over de omrekeningswaarde van bezittingen. Minister Didier Reynders (Financiën) heeft de banken ontboden om tot een oplossing te komen.

De Belgische overheid betaalt 45,5 miljoen euro, de verzekeraars 10 miljoen euro en de Belgische centrale bank 314.000 euro. De bedragen stemmen overeen met die van de onderzoekscommissie. Op het ministerie van Financiën werden gisteren protocollen getekend met vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap.

In België woonden aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zo'n 70.000 joden. Van hen werden er bijna 30.000 gedeporteerd; slechts 1.200 keerden terug. ,,België is een democratische staat die recht weet te doen'', aldus David Susskind namens de Belgische joodse gemeenschap.

Zwitserse banken stemden in 1998 onder druk van de joodse organisaties in met betaling van 1,25 miljard dollar schadeloosstelling aan nabestaanden van slachtoffers van de holocaust die hun bezittingen aan deze banken hadden toevertrouwd maar nooit hadden teruggekregen. Sindsdien vormden ook andere landen restitutiefondsen, waaronder Duitsland, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk.